EU-Hof: behandeling van een asielaanvraag mag niet automatisch opgeschort worden wanneer een verzoeker tijdelijke bescherming geniet

Contentverzamelaar

EU-Hof: behandeling van een asielaanvraag mag niet automatisch opgeschort worden wanneer een verzoeker tijdelijke bescherming geniet

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 1 oktober 2026 in de zaak C-249/25 Jilin. 

UB is een Chinees staatsburger die, samen met zijn Oekraïense vrouw en hun kind, in 2022 in Nederland is aangekomen. Hij heeft een asielaanvraag ingediend, maar de behandeling van het verzoek is opgeschort omdat UB als gezinslid van een Oekraïense staatsburger voldeed aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming. UB heeft de Nederlandse minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister) in januari 2024 in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag binnen de in Asielprocedurerichtlijn (2013/32) gestelde termijnen. Het geschil tussen UB en de minister is uiteindelijk terechtgekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State De Afdeling wil van het EU-Hof weten of een lidstaat de behandeling van een asielaanvraag automatisch mag opschorten zolang de verzoeker tijdelijke bescherming geniet. Het EU-Hof heeft geoordeeld dat dit niet mag. De Uniewetgever heeft er namelijk niet voor gekozen om deze mogelijkheid op te nemen in de Tijdelijke beschermingsrichtlijn, en heeft de begunstigden van tijdelijke bescherming niet willen uitsluiten van de werkingssfeer van de Asielkwalificatierichtlijn (2011/95) en de Asielprocedurerichtlijn (2013/32). De in de Procedurerichtlijn bedoelde termijnen zijn daarom in beginsel bindend bij de behandeling van een asielaanvraag, ongeacht of de persoon die om die bescherming verzoekt al tijdelijke bescherming geniet. Volgens het EU-Hof kunnen de bevoegde autoriteiten wel maatregelen nemen wanneer een aanzienlijk aantal verzoeken om internationale bescherming door begunstigden van tijdelijke bescherming het een lidstaat in de praktijk objectief onmogelijk maakt om al die verzoeken volledig binnen de in de Asielprocedurerichtlijn gestelde termijnen te behandelen. In dergelijke uitzonderlijke gevallen kan de behandeling van individuele verzoeken tijdelijk worden uitgesteld. De nationale rechter moet nagaan of de eventuele overschrijding van de termijnen niet voortvloeit uit een algemene en automatische opschorting, maar enkel uit maatregelen die noodzakelijk zijn om het hoofd te bieden aan de objectieve onmogelijkheid om die termijnen in acht te nemen.