EU-Hof: lidstaat die tenuitvoerlegging EAB weigert wegens risico op schending grondrechten moet de straf op zijn grondgebied ten uitvoer leggen

Contentverzamelaar

EU-Hof: lidstaat die tenuitvoerlegging EAB weigert wegens risico op schending grondrechten moet de straf op zijn grondgebied ten uitvoer leggen

Het betreft het arrest van het EU-Hof van 4 juni 2026 in de gevoegde zaken C-722/23, Rugu en C-91/24, Aucroix

Deze zaken hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Een rechter heeft vastgesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat er risico bestaat dat de grondrechten van de gezochte persoon worden geschonden vanwege de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaten. Staan de procedureregels dan toe dat de vrijheidsstraf die is opgelegd in de uitvaardigende lidstaat, en naar welke gevangenisstraf in dat bevel wordt verwezen, in de nationale rechtsorde ten uitvoer wordt gelegd in de uitvoerende lidstaat? Het EU-Hof heeft geoordeeld dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit in een dergelijke situatie niet het Kaderbesluit 2002/584 over het EAB kan toepassen, maar kaderbesluit 2008/909 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafvonnissen dient toe te passen. De uitvoerende lidstaat moet op eigen initiatief de uitvaardigende lidstaat verzoeken om toezending van het strafvonnis om de straf op zijn grondgebied ten uitvoer te kunnen leggen.