EU-Hof: Lidstaten zijn niet verplicht om derdelander-gezinsleden op te nemen in een evacuatieprocedure

Contentverzamelaar

EU-Hof: Lidstaten zijn niet verplicht om derdelander-gezinsleden op te nemen in een evacuatieprocedure

Het EU-Hof oordeelt dat artikel 13, lid 1, van de EU-Gezinsherenigingsrichtlijn en de grondrechten uit het EU-Handvest een lidstaat niet verplichten om voor gezinsleden aan wie deze lidstaat een visum voor gezinshereniging heeft toegekend de overbrenging te organiseren en te regelen naar een diplomatieke of consulaire post van die lidstaat buiten Gaza. Het Unierecht verplicht een lidstaat evenmin om contact op te nemen met derde landen om de overbrenging van visumaanvragers te faciliteren. Verder verduidelijkt het EU-Hof dat het recht op consulaire bescherming van artikel 20, lid 2, onder c), VWEU, artikel 23 VWEU en artikel 46 van het Handvest uitsluitend van toepassing is op Unieburgers die zich in een derde land bevinden, waar hun lidstaat niet vertegenwoordigd is. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op derdelanders die een recht op gezinshereniging ontlenen aan de EU-Gezinsherenigingsrichtlijn. Dat is de uitspraak van het EU-Hof op prejudiciële vragen van een Belgische rechter.

Het betreft het arrest van het EU-Hof van 26 maart 2026 in de zaak C-819/25 PPU