EU-Hof: Nederland mag zorgbijdrage vragen van pensionado’s

Contentverzamelaar

EU-Hof: Nederland mag zorgbijdrage vragen van pensionado’s
De zorgpremie die Nederland oplegt aan de zogenoemde pensionado’s is niet in strijd met het Europese socialezekerheidsrecht. Dit gaat om personen die pensioen ontvangen uit Nederland, maar in een andere EU-lidstaat wonen. Zij zijn sinds de nieuwe Zorgverzekeringswet uit 2006 verplicht om in Nederland zorgpremie betalen en zich aan te melden bij de Centrale Zorgverzekeringsautoriteit. Dat antwoordt het EU-Hof op prejudiciële vragen van de Centrale Raad van Beroep. Wel moet alsnog worden onderzocht of de pensionado’s als burgers van de EU verschillend zijn behandeld ten opzichte van ingezetenen van Nederland als gevolg van de hervorming van het ziektekostenstelsel in 2006.

Het EU-Hof deed zijn uitspraak in een arrest van 14 oktober 2010 in de zaak 345/09 (Van Delft e.a. tegen het College voor Zorgverzekeringen.

Vóór 2006 was een deel van deze groep particulier verzekerd. Deze particuliere verzekering werd op 1 januari 2006 automatisch beëindigd, omdat de pensionados verplicht verzekerd werden op grond van de nieuwe zorgverzekeringswet die toen in werking trad. Nederland hield vervolgens automatisch de verplichte zorgpremie in op het pensioen. Bovendien zijn de pensionado’s verplicht zich aan te melden bij Centrale Zorgverzekeringsautoriteit.

Daar zijn de gepensioneerden het niet mee eens. Zij stellen dat ze geen zorg ontvangen in Nederland en dus ook niet wensen mee te betalen aan het ziektekostenstelsel in Nederland. De EU-coördinatieverordening inzake sociale zekerheid 1408/71 (nu 883/2004) verplicht Nederland echter de kosten te betalen van de zorg die zij in het buitenland ontvangen, voor zover zij daar ook recht op zouden hebben als zij in Nederland woonden.

De pensionado’s willen dus eigenlijk dat deze verordening niet op hun van toepassing is. Maar daar is het Hof het niet mee eens. Het Hof oordeelt dat deze groep personen, omdat zij pensioen ontvangen uit Nederland, niet kunnen ontkomen aan het Nederlandse ziektekostenstelsel. Dat is bovendien inherent aan het systeem van de Nederlandse regeling, die is gebaseerd op solidariteit. Deze personen doen uiteindelijk ook een beroep op deze solidariteit, ook al is het indirect via het woonland. De inhouding op het pensioen en de verplichte aanmelding bij het CZV zijn dus toegestaan.

In het tweede deel van het arrest gaat het Hof in op de vraag of de wijzigingen in het zorgverzekeringsstelsel inbreuk maken op het recht van de pensionado’s om vrij te reizen en te verblijven in andere EU-lidstaten op grond van hun EU-burgerschap (artikel 21 EU-Werkingsverdrag). Het algemene ziektekostenstelsel in Nederland pakt volgens de pensionado’s namelijk minder gunstig uit dan de particuliere verzekering die zij vóór 2006 hadden. Als zij een aanvullende verzekering willen bovenop de verplichte ziektekostenverzekering, dan moesten zij die nieuw afsluiten. Door de Nederlandse regering is naar voren gebracht dat dit evengoed geldt voor personen die in Nederland wonen. Het Hof kan dat echter niet beoordelen. Het staat aan de nationale rechter (in casu de Centrale Raad van Beroep) om te beoordelen of er sprake van een verschil behandeling tussen ingezetenen van Nederland en niet-ingezeten bij de overgang in 2006. Als er een verschil is voor wat betreft de globale dekking tegen ziektekosten, dan staat het EU-burgerschap hieraan in de weg.