EU-Hof oordeelt over de omvang van de rechterlijke toets in asielzaken en over het begrip 'gegronde vrees voor vervolging'

Contentverzamelaar

EU-Hof oordeelt over de omvang van de rechterlijke toets in asielzaken en over het begrip 'gegronde vrees voor vervolging'

Het gaat om het arresten van het EU-Hof van 4 juni 2026 in de zaken C-198/25, Quotal en C-440/25 PPA, Ebilum

De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, legde het EU-Hof vragen voor over de omvang van de rechterlijke toets in asielzaken en over de uitleg van het begrip 'gegronde vrees voor vervolging'. Het EU-Hof heeft geoordeeld dat het Unierecht een eerstelijnsrechter - die moet oordelen over een asielverzoek dat is afgewezen - de bevoegdheid verleent om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van dat verzoek overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging van de verzoeker of het reële risico voor hem op ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst, alsmede over de gegrondheid van dat verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. De EU-lidstaten mogen deze bevoegdheid niet beperken. Verder heeft de uitdrukking 'gegronde vrees voor vervolging' uit de EU-Asielkwalificatierichtlijn betrekking op de situatie waarin er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt bij terugkeer naar zijn land van herkomst zal worden vervolgd. Om vast te stellen of er sprake is van zulke vrees, moeten de nationale autoriteiten een individuele, concrete en objectieve beoordeling verrichten van de persoonlijke situatie van deze verzoeker, de feiten en omstandigheden betreffende zijn verzoek en de situatie in zijn land van herkomst.