EU-Hof oordeelt over de vraag hoe moet worden beoordeeld of het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd wanneer het terugkeerbesluit meer dan één land van bestemming vermeldt

Contentverzamelaar

EU-Hof oordeelt over de vraag hoe moet worden beoordeeld of het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd wanneer het terugkeerbesluit meer dan één land van bestemming vermeldt

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 25 juni 2026 in de zaak C-182/26 PPU, Hardeker

Zodra is komen vast te staan dat een derdelander illegaal in de Europese Unie verblijft moet in beginsel een terugkeerbesluit tegen hem worden uitgevaardigd waarbij het land van bestemming moet worden vermeld. Met het oog op zijn verwijdering kan de derdelander, onder omstandigheden, ook in bewaring worden gesteld. Volgens de EU-Terugkeerrichtlijn moet gedurende de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement in acht worden genomen. In deze zaak werkte betrokkene niet mee aan zijn verwijdering en was zijn herkomst onduidelijk. In het terugkeerbesluit waren daarom meerdere mogelijke landen van bestemming vermeld. De verwijzende Nederlandse rechter wilde van het EU-Hof weten hoe een rechter die de rechtmatigheid van de inbewaringstelling moet toetsen, in die omstandigheden moet beoordelen of het non-refoulementbeginsel in acht is genomen. Het EU-Hof komt tot het oordeel dat de rechtmatigheid van de inbewaringstelling moet worden onderzocht in het licht van het beginsel van non-refoulement, ook wanneer de herkomst van betrokkene en dus het land van bestemming, nog niet duidelijk zijn. Daarbij moet de bewaringsrechter, op basis van alle beschikbare informatie, nagaan of de betrokkene naar ten minste één van de in het terugkeerbesluit genoemde landen van bestemming kan worden verwijderd, zonder dat dit leidt tot strijd met het non-refoulementbeginsel.