Contentverzamelaar

Terugvordering staatssteun kan op nul uitkomen
De nationale rechter mag het bedrag van de terug te vorderen staatssteun op nul stellen, wanneer de Europese Commissie zelf geen exacte berekening van het steunbedrag heeft gemaakt. De rechter moet daarbij wel alle relevante gegevens in acht nemen. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Italiaanse rechter.

Dat blijkt uit een arrest van het EU-Hof van 13 februari 2014 in de zaak C-69/13 (Mediaset tegen Italië)

Het gaat om een geschil tussen Mediaset SpA en het Italiaanse Ministero dello Sviluppo economico (ministerie van Economische Ontwikkeling), betreffende de terugvordering van de staatssteun die de Italiaanse Republiek aan Mediaset heeft verleend in het kader van een steunregeling ten gunste van de digitale terrestrische zenders die betaaltelevisie aanbieden en de kabelexploitanten die betaaltelevisie aanbieden, en die door de Commissie onverenigbaar is verklaard met de interne markt.

Volgens de Commissie was door de subsidieregeling voor decoders voor betaaltelevisie van aanvankelijk 150 euro, later 70 euro voor individuele abonnees een extra winst ten bedrage van miljoenen euro’s naar de zenders en de kabelmaatschappijen gevloeid. Die extra winst moest worden terugbetaald.

Tegen de beschikking van de Commissie had Mediaset eerder beroep ingesteld bij het Gerecht en hoger beroep bij het EU-Hof. In beide instanties had de televisieonderneming van Berlusconi nul op rekest gekegen (zaak C-403/10 P).

De Commissie had in haar beschikking echter niet niet de namen van de uiteindelijke begunstigden (zenders en kabelexploitanten) genoemd en de precieze bedragen vermeld die van elk van de begunstigden moesten worden teruggevorderd. Naderhand volgde er een briefwisseling tussen Italië en de Commissie, waarin de Commissie nadere begrenzingen en bedragen had vermeld.

De Italiaanse rechter vroeg zich af of hij gebonden was aan de latere briefwisseling tussen de Italiaanse Staat en de Commissie of dat hij zijn eigen berekening mocht maken.

Het EU-Hof verklaart dat de nationale rechter gebonden is aan de beschikking van de Commissie, maar dat hij zijn eigen berekening mag maken als de Commissie geen exacte berekening of bedragen heeft vermeld in haar beschikking. Een briefwisseling bindt hem niet zoals een beschikking zou doen. De nationale rechter moet daarbij op grond van het beginsel van loyale samenwerking wel de briefwisseling in aanmerking nemen en met redenen omkleed motiveren waarom hij bepaalde gegevens in aanmerking neemt en andere niet.

Wanneer de nationale rechter in dat geval met zijn berekening uitkomt op nul, dan is dat volgens het EU-Hof toelaatbaar.