A-G: Duitse toltarieven mogen geen kosten voor de verkeerspolitie bevatten

Contentverzamelaar

A-G: Duitse toltarieven mogen geen kosten voor de verkeerspolitie bevatten
Een transportondernemer kan de rechtstreekse werking van de EU-richtlijn inzake toltarieven inroepen om vast te stellen of de Duitse toltarieven geen onjuiste kostenelementen, zoals die voor de verkeerspolitie, bevatten. Dat is het advies van advocaat-generaal Saugmansgaard Øe aan het EU-Hof in een prejudiciële zaak tegen Duitsland.

Het gaat om de conclusie van AG H. Saugmandsgaard Øe van 18 juni 2020 in de zaak C-321/19 , BY en CZ tegen Duitsland.

De Poolse transportondernemingen BY en CZ die in Duitsland ritten uitvoerden, eisen in deze zaak voor de Duitse bestuursrechter de terugbetaling van te hoge toltarieven. Daarbij hebben zij aangevoerd dat de Duitse toltarieven voor het gebruik van de snelwegen door zware vrachtvoertuigen te hoog en in strijd met het EU-recht zijn.

Artikel 7, lid 9, van EU-richtlijn 1999/62/EG, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/38/EG , bepaalt met welke kostenelementen bij de berekening van de toltarieven rekening mag worden gehouden. De tarieven dienen uitsluitend gebaseerd te zijn op het beginsel van het terugverdienen van de infrastructuurkosten. De gewogen gemiddelde toltarieven moeten gerelateerd zijn aan de kosten van de aanleg, de exploitatie, het onderhoud en de uitbreiding van het betrokken infrastructuurnet. Ook mogen de toltarieven rendement op kapitaal of een winstmarge op basis van de marktvoorwaarden omvatten. De verwijzende Duitse rechter wil van het EU-hof weten of artikel 7, lid 9, en artikel 7 bis, leden 1 en 2, van EU-richtlijn 1999/62 rechtstreekse werking hebben en of die bepalingen op de juiste wijze zijn omgezet in het Duitse recht.

De AG concludeert dat artikel 7, lid 9, van EU-richtlijn 1999/62 duidelijk bepaalt dat toltarieven uitsluitend zijn gebaseerd op het beginsel van het terugverdienen van de infrastructuurkosten die uitputtend in die bepaling zijn opgesomd. Hierdoor wordt de beoordelingsmarge van de lidstaten beperkt. Het artikel voorziet om die reden in een duidelijke verplichting voor de lidstaten om zich bij de vaststelling van de toltarieven uitsluitend op de in die bepaling genoemde kosten te baseren. De nationale rechter kan daarom beoordelen of aan de nakoming van die verplichting is voldaan door na te gaan of bij de berekening van de toltarieven andere kosten dan de kosten die binnen die richtlijn vallen in aanmerking zijn genomen, zoals kosten van de verkeerspolitie.

Volgens de AG blijkt uit de bewoordingen van artikel 7, lid 9, van EU-richtlijn 1999/62 niet dat die bepaling, en met name het begrip exploitatiekosten in de zin van deze bepaling, zich uitstrekt tot kosten van de verkeerspolitie. Het begrip exploitatiekosten heeft immers betrekking op de kosten die voortvloeien uit de exploitatie van de autosnelweg en omvat niet de activiteiten van de politie. Dit kan ook niet uit de ontstaansgeschiedenis en de doelstelling van de richtlijn worden afgeleid. De kosten voor de verkeerspolitie moeten daarom worden uitgesloten bij de vaststelling van de toltarieven.

Verder concludeert de AG dat als de toltarieven berusten op een foute berekening van kostenelementen die op grond van de richtlijn in aanmerking mogen worden genomen, zoals de kosten die verband houden met het rendement op kapitaal, hoe gering ook, een schending van artikel 7, lid 9, van EU-richtlijn 1999/62 oplevert. Deze bepaling bevat geen drempelbedrag en de toltarieven zijn bovendien uitsluitend gebaseerd op het beginsel van het terugverdienen van de infrastructuurkosten, zodat de bepaling aan iedere kostenoverschrijding, hoe gering ook, in de weg staat.

De AG concludeert voorts dat als blijkt dat de onderzochte berekening van toltarieven gebrekkig is achteraf niet alsnog een berekening mag worden gemaakt van de werkelijke kosten en tolinkomsten waaruit zou blijken dat het vastgestelde toltarief de werkelijke kosten niet overschrijdt. Dit zou indruisen tegen artikel 260, lid 1, van het EU-Werkingsverdrag – hoewel deze bepaling ziet op inbreukzaken en niet op prejudiciële procedures -  en het nuttig effect van de EU-richtlijn 1999/62 teniet doen.

Tot slot adviseert de AG het verzoek van de Duitse regering om de werking van het arrest te beperken in de tijd te verwerpen omdat het verzoek pas tijdens de terechtzitting is ingediend.

Een conclusie van een AG is een advies aan het EU-Hof. Het EU-Hof is volledig vrij daarvan af te wijken. Het is nog niet bekend wanneer de uiteindelijke uitspraak van het EU-Hof zal verschijnen. Dit kan nog enkele maanden duren. De uitspraak van het EU-Hof zal wel bindend zijn.