Contentverzamelaar

Advies: EU-dienstenrichtlijn werkt ook in interne situaties van een lidstaat
De EU-dienstenrichtlijn is ook van toepassing in zuiver interne situaties, dat wil zeggen, in situaties die zich volledig binnen één lidstaat afspelen, zonder grensoverschrijdend element. Dat adviseert advocaat-generaal Szpunar het EU-Hof als antwoord op vragen van de Raad van State.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal (AG) Szpunar van 16 juli 2015 in de gevoegde zaken C-340/14 en C-341/14 , Trijber en Harmsen.

Beide zaken gaan over de uitleg van de EU-dienstenrichtlijn 2006/123. Lees hierover de prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de Raad van State en het ECER-bericht Raad van State stelt EU-Hof vragen over EU-dienstenrichtlijn.

In de zaak Harmsen heeft de burgemeester van Amsterdam exploitatievergunningen geweigerd voor twee raamprostitutiebedrijven omdat de exploitant ook kamers verhuurt aan prostituees met wie hij niet in een voor hem begrijpelijke taal kan communiceren. In de zaak Trijber gaat het om een weigering door het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders om een exploitatievergunning te verlenen voor het per boot vervoeren van passagiers door de Amsterdamse grachten. Volgens het gemeentebestuur is het aantal vergunningen beperkt en is de aanvraag gedaan buiten de 'uitgifteronde'.

De principiële vraag in deze zaken is of de EU-dienstenrichtlijn ook van toepassing is in zuiver interne situaties, dat wil zeggen, in situaties die zich volledig binnen één lidstaat afspelen, zonder grensoverschrijdend element.

De AG vindt van wel, o.a. omdat harmonisatie op het gebied van de interne markt óók situaties kan omvatten die niet vallen onder de Verdragsrechtelijke vrijheden, waaronder het vrij verkeer van diensten. Ook de tekst, systematiek en wetsgeschiedenis van de dienstenrichtlijn bieden volgens de AG steun voor deze benadering. De Nederlandse regering had aangegeven op dit punt geen standpunt in te nemen en het oordeel van het Hof af te wachten.

Verder oordeelt de AG in de zaak Trijber dat vervoer per open sloep over de Amsterdamse grachten géén dienst is op het gebied van vervoer (vervoersdiensten vallen buiten de reikwijdte dienstenrichtlijn). Dat betekent dat vergunningsstelsels voor de exploitatie van rondvaartbootjes in overeenstemming moeten zijn met de eisen uit de dienstenrichtlijn. Nederland had betoogd dat er wel sprake was van een vervoersdienst.

In de zaak Harmsen speelt de vraag of het weigeren van een vergunning aan een exploitant van raamprostitutiebedrijven omdat hij in zijn bestaande bedrijven kamers heeft verhuurd aan prostituee met wie hij niet kan communiceren in een voor beiden begrijpelijke taal, in strijd is met de dienstenrichtlijn. De AG vindt in principe van wel, tenzij de nationale rechter in het hoofdgeding vaststelt dat zo’n taaleis noodzakelijk is voor een doeltreffende communicatie tussen de exploitant en de prostituees. Dit is in lijn met het Nederlandse standpunt, waarbij Nederland tevens had betoogd dat zo’n taaleis noodzakelijk is.