Contentverzamelaar

AG: geen controle van paspoort en verblijfstitel door touringcarbedrijven binnen Schengengebied
Touringcarondernemingen mogen niet worden verplicht om voorafgaand aan de grensoverschrijding binnen het Schengengebied te controleren of passagiers in het bezit zijn van het vereiste paspoort en de vereiste verblijfsvergunning voor de legale binnenkomst op het nationale grondgebied. De lidstaten beschikken binnen de Schengengrenscode over andere mogelijkheden voor de geoorloofde bestrijding van illegale immigratie. Dit is het advies van Advocaat-Generaal (AG) Bot aan het EU-Hof.

Het betreft de conclusie van AG  Bot van 6 september 2018 in de gevoegde zaken C‑412/17 en C‑474/17 Bundesrepublik Deutschland tegen Touring Tours und Travel GmbH en Sociedad de Transportes SA.

De twee betrokken busondernemingen onderhouden lijndiensten naar Duitsland via de Duits-Nederlandse en de Duits-Belgische grens. De Duitse federale politie heeft vastgesteld dat zij vreemdelingen vervoeren die niet in het bezit zijn van een geldig paspoort en de vereiste verblijfsvergunning en leggen een dwangsom van 1 000 EUR voor ieder verzuim van de controle door de busondernemingen van deze documenten. Het Bundesverwaltungsgericht vraagt het EU-Hof of artikel 67 lid 2 VWEU en de artikelen 20 en 21 van de Schengengrenscode in de weg staan aan de Duitse regeling die touringcarondernemingen verplicht om voorafgaand aan de grensoverschrijding te controleren of hun passagiers in het bezit zijn van het vereiste paspoort en de vereiste verblijfsvergunning om legaal het nationale grondgebied in te reizen. In het bijzonder wil het weten of deze controles kunnen worden aangemerkt als of worden gelijkgesteld met ‘grenscontroles’. Het verschil met eerdere prejudiciële verwijzingen hierover is dat de controles in dit geval niet moeten worden verricht door met openbaar gezag beklede instanties, maar particuliere vervoerders zonder politiebevoegdheid.

De AG stelt dat de betrokken controles gelijk moeten worden gesteld met ‘grenscontroles’ die op grond van artikel 20 van de Schengengrenscode verboden zijn. Zelfs al worden de door de Duitse regeling voorgeschreven controles voorafgaand aan de grensoverschrijding uitgevoerd en niet op het moment zelf, kunnen naar hun aard gelijkgesteld worden met grenscontroles door het doel van deze regeling, namelijk het controleren of de passagiers tot het grondgebied van de lidstaat mogen worden toegelaten. Het feit dat de controles worden uitgevoerd door particuliere vervoerders volstaat niet om toepassing van artikel 20 van de Schengencode uit te sluiten. Door particuliere vervoerders een controleverplichting op te leggen voert de lidstaat op verkapte en minder doeltreffende wijze opnieuw grenzen in die in beginsel zijn afgeschaft. Nu de controles gelijk kunnen worde gesteld met ‘grenscontroles’ die op grond van de Schengengrenscode zijn verboden, zijn de wegens niet-nakoming van deze controles vastgestelde dwangsommen eveneens in strijd met het Unierecht.

De AG merkt nog op dat deze uitleg van de Schengengrenscode niet betekent dat de lidstaten geen mogelijkheden meer hebben voor de geoorloofde bestrijding van illegale immigratie. Wanneer zij over nauwkeurige informatie beschikken om te kunnen bepalen op welke wegverbindingen de kans op illegale immigratie het grootst is, kunnen zij de bestaande instrumenten voor operationele samenwerking inzetten om deze te bestrijden, door met name in en rond treinstations hun politiebevoegdheid uit te oefenen. Een dergelijk toezicht is volgens de AG veel doeltreffender dan de door de betrokken regeling ingestelde controle, en past bovendien binnen de bevoegdheden van artikel 21, onder a), van de Schengengrenscode. Deze bepaling staat de lidstaten toe om op hun grondgebied en in de grensgebieden ervan identiteits- en documentcontroles te verrichten om illegale binnenkomst op het grondgebied te voorkomen of te beëindigen, dan wel het plegen van strafbare feiten te voorkomen, zolang deze controles in de praktijk niet hetzelfde effect hebben als grenscontroles. Daarnaast herinnert de AG eraan dat de lidstaten hun politiecontroles op hun gehele grondgebied mogen  intensiveren. Ook kunnen de bevoegde autoriteiten, indien blijkt dat touringcarbedrijven meewerken aan migrantensmokkel, deze bedrijven veroordelen op grond van de regels van richtlijn 2002/90 en van kaderbesluit 2002/946, aangezien hulpverlening bij illegale binnenkomst een strafbaar feit.  Lidstaten kunnen onder de Schengengrenscode bovendien tijdelijk opnieuw het grenstoezicht aan hun binnengrenzen instellen wanneer zij vaststellen dat sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde of de binnenlandse veiligheid.  Tot slot wijst de AG op de verplichting van de lidstaten om voldoende gekwalificeerd personeel en middelen in te zetten om een efficiënt en eenvormig grenstoezicht aan hun buitengrenzen te waarborgen. De AG verwerpt de stelling van de Duitse regering dat de bestreden maatregelen kunnen worden beschouwd als controles die verplicht zijn op grond van vastgestelde bepalingen van internationaal en Europees recht voor de bestrijding van illegale immigratie.

Het advies van de AG bindt het EU-Hof niet.