AG Sharpston: Raad moet beslissen over niet-bindende internationale overeenkomsten

Contentverzamelaar

AG Sharpston: Raad moet beslissen over niet-bindende internationale overeenkomsten

Het is niet aan de Commissie, maar aan de Raad om te beslissen of een niet-bindende internationale overeenkomst met een derde land dient te worden ondertekend. Daarom moet het besluit van de Commissie tot ondertekening van een Memorandum van Overeenstemming met Zwitserland worden nietig verklaard. Dit adviseert advocaat-generaal Sharpston het EU-Hof in een procedure van de Raad tegen de Commissie.

Het gaat om de conclusie van AG Sharpston van 26 november 2015 in de zaak C-660/13, Raad tegen Europese Commissie.

De Raad heeft bezwaar gemaakt tegen het feit dat de Commissie een niet-bindende juridische overeenkomst heeft ondertekend zonder dat de Raad hiervoor goedkeuring had gegeven. Het gaat om een addendum bij het Memorandum van Overeenstemming (MvO) met Zwitserland betreffende de toezegging van dit land om aan de lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden een financiële bijdrage te betalen als tegenprestatie voor de toegang van Zwitserland tot de uitgebreide interne markt. (addendum van 2013 wegens de toetreding van Kroatië).

De AG stelt in haar conclusie dat het aan de Raad is te beslissen of een niet-bindende internationale overeenkomst met een derde land al dan niet dient te worden goedgekeurd en ondertekend. De Commissie is haar taak op het gebied van externe vertegenwoordiging zoals neergelegd in artikel 17 VEU neergelegd te buiten gegaan.

De AG stelt dat de beslissing of de Unie al dan niet dient deel te nemen aan een bepaalde vorm van extern handelen met een bepaalde inhoud en bepaalde politieke en juridische gevolgen voor de Unie (en mogelijk voor de lidstaten), niet behoort tot de taak van externe vertegenwoordiging.

De Commissie had ter rechtvaardiging van haar werkwijze aangevoerd dat er op basis van de conclusies van de Raad van 2012 geen ruimte meer bestond voor daadwerkelijke onderhandelingen door de Commissie. De AG verwerpt dit. De Raad gaf de Commissie namelijk een aanzienlijke beoordelingsmarge bij de onderhandelingen over de overeenkomst. De AG geeft aan dat het addendum van 2013 op punten afwijkt van de conclusies van de Raad van 2012 en dat sommige punten in de onderhandelingen nader zijn ingevuld. AG voert daarbij aan dat de Raad de Commissie niet machtigde om zelf te bepalen of het resultaat van de onderhandelingen in overeenstemming was met het beleid van de Unie en ook niet om te beoordelen of het addendum alleen namens de Unie of ook namens de lidstaten getekend moest worden. De AG geeft het Hof daarom in overweging om het besluit van de Commissie tot ondertekening van het MvO nietig te verklaren.

AG Sharpston gaat ook in op een mogelijke schending van het loyaliteitsbeginsel, zoals vervat in artikel 4, lid 3, EU-Verdrag. De Commissie heeft de Raad pas op de dag van de vaststelling in kennis gesteld van haar besluit om het addendum te ondertekenen, terwijl de Raad in de veronderstelling verkeerde dat de onderhandelingsresultaten nog onder de loep genomen konden worden. De AG stelt dat de Commissie de nuttige werking aan het beginsel van loyale samenwerking heeft ontnomen.