België vraagt advies EU-Hof over CETA

Contentverzamelaar

België vraagt advies EU-Hof over CETA
België heeft het EU-Hof advies gevraagd over de verenigbaarheid van het Investment Court System (« ICS ») met de EU-verdragen. ICS is het hervormde geschillenbeslechtingsysteem tussen Staten en investeerders dat werd opgenomen in het economische en handelsakkoord tussen de EU en Canada (CETA). Het advies van het EU-Hof wordt over anderhalf jaar verwacht.

Aan de persmededeling en de toelichting wordt het volgende ontleend. CETA zal voorlopig worden toegepast vanaf 21 september 2017. De bepalingen waarover België het Hof om advies vraagt zijn echter uitgesloten van de voorlopige toepassing. Deze bepalingen zullen pas inwerking treden op het moment dat alle EU-lidstaten CETA hebben geratificeerd.

Op 16 mei 2017 publiceerde het EU-Hof zijn Advies 2/15 over het EU-Singapore vrijhandelsakkoord. Advies 2/15 stelt dat de EU niet over een exclusieve bevoegdheid beschikt over de geschillenbeslechting tussen investeerders en Staten. Het EU-Hof bevestigde eveneens dat advies 2/15 enkel betrekking heeft op de bevoegdheidsvraag, en niet op de vraag van de verenigbaarheid van een systeem van geschillenbeslechting tussen investeerders en Staten met de Europese verdragen.

In dit licht vraagt het Koninkrijk België een advies aan het EU-Hof over de verenigbaarheid van CETA in haar hoofdstuk 8 ("Investeringen"), afdeling F ("Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten") met de Europese verdragen, met inbegrip van de grondrechten. Dit betreft een nieuw hervormd systeem van geschillenbeslechting tussen investeerders en Staten, het zogenaamde Investment Court System (ICS), dat uit een Gerecht en een Beroepsinstantie zal bestaan.

Concreet vraagt het Koninkrijk België aan het EU-Hof om een advies over de verenigbaarheid van ICS met:

  1. de exclusieve bevoegdheid van het EU-Hof om een definitieve interpretatie van het Unierecht te geven

  2. het algemene gelijkheidsbeginsel en de vereiste van de nuttige werking van het Unierecht

  3. het recht op toegang tot de rechtbanken

  4. het recht op een onafhankelijke en onpartijdige justitie

Wat het recht op een onafhankelijke en onpartijdige justitie betreft wenst het Koninkrijk België een advies over volgende aspecten:

  • de voorwaarden betreffende de bezoldigingen van de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie.

  • de aanwijzing van de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie.

  • het ontheven van de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie.

  • de richtsnoeren van de International Bar Association inzake belangenconflicten in internationale arbitrage en de invoering van een gedragscode voor de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie

  • de externe beroepsactiviteiten in verband met investeringsgeschillen van de leden van het Gerecht en de Beroepsinstantie.

Met zijn verzoek om advies beoogt het Koninkrijk België om het juridische kader waarin CETA zich bevindt verder te verduidelijken, in overeenstemming met de afspraken bij de ondertekening van CETA door België. Hierbij neemt het Koninkrijk België zelf geen standpunt in over de vragen die aan het EU-Hof gesteld worden.

Meer info: