Contentverzamelaar

EU-Hof: Britse kinderbijslag voor niet-actieven alleen bij legaal verblijf
Het Verenigd Koninkrijk mag van aanvragers van kinderbijslag verlangen dat zij een verblijfsrecht hebben. Zo’n voorwaarde is discriminerend, maar gerechtvaardigd ter bescherming van de financiële middelen van de staat. Dat is het oordeel van het EU-Hof in een inbreukprocedure die door de Commissie was ingesteld.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof in de zaak C-308/14, Commissie/Verenigd Koninkrijk.

Niet-Britse Unieburgers maakten bezwaar tegen het feit dat zij geen kinderbijslag en „child tax credit” krijgen in het Verenigd Koninkrijk. Voor de Britse autoriteiten is daarvoor legaal verblijf in het Verenigd Koninkrijk vereist. Volgens de Commissie is deze voorwaarde discriminerend en in strijd met de geest van een EU-verordening, aangezien daarin alleen rekening wordt gehouden met de gewone verblijfplaats van de aanvrager.

De EU-verordening betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels 883/2004 legt een aantal gemeenschappelijke beginselen vast die in de desbetreffende wetgeving van alle lidstaten gerespecteerd moeten worden, waarmee moet worden voorkomen dat degenen die hun recht van vrij verkeer en verblijf binnen de Unie uitoefenen, worden benadeeld door de verschillende nationale systemen. Een van die gemeenschappelijke beginselen die de lidstaten moeten eerbiedigen, is het beginsel van gelijke behandeling. Op het specifieke gebied van de sociale zekerheid krijgt het beginsel van gelijke behandeling de vorm van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit.

De Commissie heeft een groot aantal klachten ontvangen van niet-Britse Unieburgers die in het Verenigd Koninkrijk wonen zonder daar te werken. Deze Unieburgers maken er bezwaar tegen dat de bevoegde Britse autoriteiten hadden geweigerd hun bepaalde sociale prestaties toe te kennen op grond dat zij in dat land geen verblijfsrecht hadden. Omdat de Commissie van mening was dat de Britse wettelijke regeling niet in overeenstemming is met de verordening, heeft zij tegen het Verenigd Koninkrijk een beroep wegens niet-nakoming ingesteld. De Commissie heeft immers te kennen gegeven dat volgens de Britse wettelijke regeling moet worden geverifieerd dat de aanvragers van bepaalde sociale prestaties legaal op het Britse grondgebied verblijven.

Het gaat onder meer om gezinsbijslagen zoals kinderbijslag en de „child tax credit”. De „child benefit” (kinderbijslag) en de „child tax credit” (letterlijk „heffingskorting ter zake van kinderen”, maar feitelijk een inkomensafhankelijke bijslag) zijn uitkeringen die worden gefinancierd uit de belastingopbrengsten en niet door premie- of bijdragebetaling van de begunstigden. Zij hebben als gemeenschappelijk doel bij te dragen tot het dekken van de gezinslasten. Om voor deze prestaties in aanmerking te komen moet volgens de Britse wettelijke regeling de aanvrager zich in het Verenigd Koninkrijk bevinden. Aan deze voorwaarde is alleen voldaan indien de aanvrager (a) zich fysiek in het Verenigd Koninkrijk bevindt, (b) zijn gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk heeft, en (c) in dat land een verblijfsrecht heeft.

Volgens de Commissie is de voorwaarde van legaal verblijf discriminerend en in strijd met de geest van de verordening, aangezien daarin alleen rekening wordt gehouden met de gewone verblijfplaats van de aanvrager.

In antwoord op deze argumenten betoogt het Verenigd Koninkrijk, met een beroep op het arrest van het EU-Hof in de zaak C-140/12, Brey, dat de gastlidstaat terecht kan vereisen dat sociale prestaties alleen worden toegekend aan de Unieburgers die voldoen aan de voorwaarden om op zijn grondgebied een verblijfsrecht te hebben, omdat deze voorwaarden ook in EU-richtlijn 2004/38 betreffende het vrij verkeer van EU-burgers staan. Hoewel bovendien wordt erkend dat de voorwaarden waaronder het recht op de betrokken sociale prestaties ontstaat gemakkelijker kunnen worden vervuld door zijn eigen onderdanen (omdat deze per definitie een verblijfsrecht hebben), is hoe dan ook de voorwaarde inzake het verblijfsrecht een evenredige maatregel om te verzekeren dat de prestaties worden uitgekeerd aan personen die voldoende zijn geïntegreerd in het Verenigd Koninkrijk.

In zijn arrest verwerpt het EU-Hof het beroep van de Commissie.

Het Hof stelt om te beginnen vast dat de betrokken prestaties socialezekerheidsprestaties zijn en dus binnen de werkingssfeer van de verordening vallen.

Vervolgens wijst het Hof het hoofdargument van de Commissie af, dat de Britse wettelijke regeling, naast de in de verordening vervatte voorwaarde van de gewone verblijfplaats, een extra voorwaarde oplegt.

In dit verband brengt het Hof in herinnering dat het criterium van de gewone verblijfplaats in de zin van de verordening geen noodzakelijke voorwaarde voor het recht op prestaties is, maar een „conflictregel” waarmee moet worden voorkomen dat verschillende nationale wettelijke regelingen gelijktijdig van toepassing zijn en moet worden belet dat personen die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend elke bescherming wordt ontnomen. Volgens het Hof voert de verordening geen gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid in, maar laat zij de afzonderlijke nationale stelsels voortbestaan. De verordening bepaalt dus niet de materiële voorwaarden voor het bestaan van het recht op prestaties, want het staat in beginsel aan de wettelijke regeling van elke lidstaat om deze voorwaarden vast te stellen. In dat kader wijst het Hof erop dat niets zich er in beginsel tegen verzet dat de toekenning van sociale prestaties aan economisch niet-actieve Unieburgers afhankelijk wordt gesteld van het vereiste dat deze voldoen aan de voorwaarden om in de gastlidstaat een verblijfsrecht te genieten.

Wat het subsidiaire argument van de Commissie betreft, dat de verificatie van het verblijfsrecht discriminatie vormt, oordeelt het Hof dat de voorwaarde dat de betrokkene in het Verenigd Koninkrijk een verblijfsrecht heeft, tot ongelijke behandeling leidt omdat eigen onderdanen makkelijker daaraan kunnen voldoen dan onderdanen van andere lidstaten.

Het Hof is evenwel van oordeel dat dit verschil in behandeling gerechtvaardigd kan worden door een legitieme doelstelling, zoals de noodzaak om de openbare middelen van de gastlidstaat te beschermen, mits dat niet verder gaat dan noodzakelijk is om deze doelstelling te bereiken.

Het Hof constateert in dit verband dat de nationale autoriteiten overeenkomstig de in de richtlijn betreffende het vrije verkeer van EU-burgers gestelde voorwaarden verifiëren of het verblijf rechtmatig is. Zo wordt deze controle door de Britse autoriteiten niet stelselmatig voor elke aanvraag verricht, maar alleen in geval van twijfel. Daaruit volgt dat de voorwaarde niet verder gaat dan noodzakelijk is om de door het Verenigd Koninkrijk nagestreefde legitieme doelstelling, te weten de noodzaak om zijn financiële middelen te beschermen, te bereiken.