Bundesverfassungsgericht laat EU-Hof ruimte bij uitleg EU-bevoegdheden

Contentverzamelaar

Bundesverfassungsgericht laat EU-Hof ruimte bij uitleg EU-bevoegdheden
Bovenstaande kop lijkt de omgekeerde wereld. Zou het EU-Hof niet moeten oordelen of het Bundesverfassungsgericht over de schreef gaat? Toch is het zo. Het Bundesverfassungsgericht acht zich bevoegd te toetsen of de EU-Verdragen, evenals de rechtspraak van het EU-Hof, in strijd zijn met de Duitse grondwet. In een recente uitspraak oordeelt het Bundesverfassungsgericht in een nationale procedure over een arbeidsgeschil dat de rechtspraak van het EU-Hof over het verbod van leeftijdsdiscriminatie in overeenstemming is met de Duitse Grondwet.

De zaak kwam voor de hoogste Duitse rechter terecht nadat in de Duitse nationale procedure een werknemer met succes een beroep had gedaan op de arresten van het EU-Hof in de zaken Mangold en Kücükdeveci. Daarin oordeelde het EU-Hof dat de mogelijkheid in de Duitse arbeidswetgeving om oudere werknemers slechts voor bepaalde tijd aan te stellen in strijd is met het EU-verbod van leeftijdsdiscirminatie. Deze arresten zijn nogal omstreden omdat ze er feitelijk op neer komen dat een richtlijn ook tussen particulieren werking heeft als daarin een algemeen beginsel van Unierecht is vastgelegd. In beginsel luidt de heersende leer dat je de strijdigheid met een richtlijn wel tegen de overheid kunt inroepen, maar niet tegen particulieren. Een richtlijn is namelijk gericht tot de lidstaten en die zijn aansprakelijk voor het niet-omzetten daarvan. Hoewel het EU-Hof strikt genomen nog wel aan deze lijn vasthoudt, is de betekenis hiervan wel substantieel afgenomen. Een particulier kan zich volgens het EU-Hof namelijk tegenover een andere particulier wel beroepen op een algemeen beginsel van Unierecht wanneer dat beginsel ook in een richtlijn is vastgelegd.

Het BVG maakt duidelijk dat hij het Unierecht terughoudend en ‘europarechtsfreundlich’ moet toetsen aan de Duitse grondwet. Opmerkelijk is dat het BVG een argument daarvoor ontleent aan het beginsel dat Unierecht voorrang heeft op nationaal recht. Niet elke overschrijding van de in de EU-Verdragen vastgelegde bevoegdheden van de Unie is daarom in strijd met de Duitse grondwet. Om in strijd te komen met de Duitse grondwet moet sprake zijn van een “voldoende gekwalificeerde schending” van die bevoegdheden. Het EU-Hof mag van het BVG wel eens een foutje maken (‘hat Anspruch auf Fehlertoleranz’). Het is niet aan het BVG om, iedere keer als het EU-Hof een omstreden uitspraak doet waarvan de betekenis voor verdere rechtspraak onbekend is, daarvoor een eigen, nationale, uitleg van de desbetreffende EU-Verdragen in de plaats te stellen. Het moet om een kennelijke en structureel werkende overschrijding van de in de EU-Verdragen neergelegde bevoegdheden gaan en dus om een evenzo duidelijke en structureel werkende inperking van de bevoegdheden van de lidstaten gaan.

Van de acht rechters in de tweede senaat van het BVG konden zes rechters zich vinden in deze redenering en zeven rechters konden zich vinden in het resultaat. De rechter die het niet eens was met een resultaat heeft een ‘abweichende Meinung’ gegeven. Daarin zet hij uiteen dat naar zijn oordeel het EU-Hof zijn bevoegdheden wel heeft overschreden en dat de Duitse arbeidswet niet opzij gezet had mogen worden in dit private arbeidsgeschil. Overigens waren het in persoon dezelfde rechters als die het Verdrag van Lissabon toetsten.

De conclusie is dat het EU Hof het wel heel gortig moet maken, wil het BVG de uitleg van het EU-Hof in strijd met de Duitse grondwet wil achten. Dit schemerde al door in het ‘Lissabon-urteil’ van het BVG. Opmerkelijk is dat het BVG expliciet aangeeft dat het EU Hof af en toe een ‘foutje’ mag maken. Zo’n foutje levert niet meteen een kennelijke en structureel werkende schending van de in de Verdragen neergelegde bevoegdheden op. Deze uitspraak van het BVG is bovendien opmerkelijk omdat het daarin afstand neemt van gezaghebbende Duitse auteurs die van mening waren dat het EU-Hof zijn bevoegdheden heeft overschreden in de zaak Mangold en latere leeftijdsdisciminatiezaken. Daaronder niet de minste: Roman Herzog, voormalig president van het BVG, voormalig Bundespresident en voormalig voorzitter van de Europese Conventie die het EU-Handvest Grondrechten heeft opgesteld.