Commissie verspeelt recht op rente bij lang stilzitten

Contentverzamelaar

Commissie verspeelt recht op rente bij lang stilzitten
Wanneer de Commissie pas twaalf jaar na een eerste aanmaning een nieuwe aanmaning stuurt en overgaat tot terugvordering van een onterechte betaling, is dat in strijd met de redelijke termijn waarbinnen de EU-instellingen hun zaken moeten afhandelen. Het beginsel van behoorlijk van bestuur in het EU-Handvest van de Grondrechten verhindert dat over de tussenperiode van twaalf jaar rente wordt geïnd. Dat is het advies van Advocaat-Generaal Kokott aan het EU-Hof in een arbitrage over de uitvoering van een subsidie-overeenkomst.

Het gaat om de conclusie van A-G Kokott van 27 februari 2014 in de zaak C-531/12, Commune de Millau en SEMEA tegen Commissie.

De Commissie had namens de EG een subsidie-overeenkomst gesloten met SEMEA voor een ontwikkelingsproject. De gemeente Millau was hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming. Nadat was gebleken dat er teveel betaald was door de EG, sommeerde de Commissie SEMEA in 1993 om een bedrag van 41 012 ECU aan haar terug te betalen. Ofschoon SEMEA niet voldeed aan dit verzoek tot betaling, bleven verdere aanmaningen van de Commissie voorlopig uit. Pas in 2005, dus ongeveer twaalf jaar later, herhaalde de Commissie haar verzoek tot betaling. In 2010 stelde de Commissie beroep in bij het Gerecht tegen SEMEA en de gemeente Millau en vorderde betaling van de hoofdsom plus vertragingsrente, in totaal inmiddels verdubbeld tot ruim 80.000 euro. Het Gerecht wees de vordering toe. Daartegen stelden SEMEA en de gemeente beroep in bij het EU-Hof. SEMEA eiste bovendien schadevergoeding ten belope van het toegewezen bedrag.

De belangrijkste overwegingen 84-91 van het advies van A-G Kokott kunnen als volgt worden samengevat.

SEMEA (…) baseert haar eis op de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en het in de grondrechten gewaarborgde recht op behoorlijk bestuur. De Commissie zou artikel 41 van het Handvest hebben overtreden, doordat zij met betrekking tot haar vordering niet met bekwame spoed aanmaningen had verzonden en in het bijzonder tussen de eerste en tweede aanmaning ongeveer twaalf jaar had laten verstrijken. Op deze wijze zijn o.a. de vertragingsrente aanzienlijk opgelopen, wat anders had kunnen worden voorkomen.

De onderhavige casus doet in wezen van de zaak de vraag rijzen of, en zo ja, op welke voorwaarden, tegen nalatigheid van de Commissie bij het innen van haar uitstaande vorderingen – bezien vanuit de optiek van het een recht op behoorlijk bestuur bestaat – bezwaar kan worden gemaakt en of aanspraken van de Commissie op betaling op grond daarvan – onafhankelijk van de verjaring en voordat de verjaring een feit is – kunnen vervallen. Dat SEMEA deze thematiek (…) problematiseert, kan daaraan liggen, dat in het Franse recht rechtsverwerking, zoals deze in het Duitse recht wordt afgeleid uit redelijkheid en billijkheid, niet bekend is. (…)

Er moet dus worden onderzocht in welke vorm het grondrecht op behoorlijk bestuur in een context waarop het verbintenissenrecht zijn stempel drukt, relevant kan zijn en of het contractuele rechten kan doen vervallen c.q. of het als een rechten belemmerend verweer het ontstaan van vorderingen, die vertragingsrente betreffen, in de weg kan staan.

Om te beginnen stond het de Commissie vrij haar vermogensrechtelijke aangelegenheden naar eigen goeddunken in het kader van het met SEMEA overeengekomen nationale recht af te handelen en ook de wettelijke verjaringstermijnen van dat recht daarvan ten volle te benutten. Artikel 41 van het Handvest kan moeilijk zo worden opgevat, dat het globaal een weinig concrete „redelijke termijn” in de plaats van de duidelijke verjaringstermijn stelt waaraan contractuele vorderingen onderworpen zijn. Noch de rechtszekerheid noch de belangen van beide partijen zouden daarmee zijn gediend. Met andere woorden: voor de behandeling van aangelegenheden waarbij een overeenkomst een grote rol speelt, moeten om te beginnen die termijnen, waarover de partijen het in de overeenkomst eens zijn geworden, als „redelijk” in de zin van het Handvest worden beschouwd.

Gaat de Commissie echter over tot het innen van haar uitstaande vorderingen, dan moet zij deze aangelegenheid, die ook haar contractpartner betreft, – daar zij aan het Handvest gebonden is – binnen een redelijke termijn afhandelen. Daaraan wordt ook niets veranderd door de omstandigheid dat haar contractpartner tegenover haar geen verplichtingen uit het Handvest heeft. Door de „vlucht in het privaatrecht” kan de Commissie (zich) niettemin niet onttrekken aan haar gebondenheid aan de grondrechten.

In het onderhavige geval is de handelwijze van de Commissie – vanuit een oogpunt van redelijkheid beschouwd – in zoverre problematisch, dat zij aan de ene kant – met het verzoek om betaling van 27 april 1993 – de vertragingsrente vroeg liet beginnen, maar aan de andere kant door ongeveer twaalf jaar te zwijgen een situatie liet ontstaan waarin de schuldenares zich in veiligheid waande, waarna pas vanaf 18 november 2005, maar dan met verstrekkende gevolgen, werd aangedrongen op voldoening van de openstaande schulden plus een aanzienlijk bedrag aan rente, welk bedrag – zoals SEMEA uiteenzet, zonder dat dit wordt tegengesproken – inmiddels zelfs hoger is dan de hoofdvordering.

Daar de Commissie de op de grondrechten berustende plicht had de vordering met bekwame spoed te innen, welke plicht zij tot 18 november 2005 niet is nagekomen, geeft haar aanslepende inning van de vordering een handelwijze te zien, die in een direct causaal verband met de in die periode opgelopen vertragingsrente staat.

Om deze reden stelt de A-G het EU-Hof voor de vordering van de Commissie te verminderen tot de hoofdsom plus de rente vanaf 2005. De rente in de periode 1993-2005 zou dus moeten vervallen.