Eerder optreden voor EU-Hof geen reden voor wraking rechter

Contentverzamelaar

Eerder optreden voor EU-Hof geen reden voor wraking rechter
De objectiviteit van een raadsheer lijdt volgens de Hoge Raad geen schade wanneer deze in een vorige functie de belangen van de Nederlandse Staat verdedigde in vergelijkbare procedures bij het Hof van Justitie van de EU.

Het betreft een arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2014 in de zaak 14/01289

Belanghebbende, X, heeft beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Per brief van 6 maart 2014 wordt aan hem meegedeeld dat op 14 maart 2014 arrest zal worden gewezen door de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra en Th. Groeneveld. Na ontvangst van deze brief verzoekt X om wraking van M.A. Fierstra. Als reden noemt X dat deze raadsheer in een vorige functie de belangen van de Nederlandse Staat verdedigde in procedures bij (thans) het Hof van Justitie van de EU. Het betrof hier soortgelijke kwesties als aan de orde in de onderhavige procedure bij de Hoge Raad, aldus X.

De Hoge Raad oordeelt dat de objectiviteit van een raadsheer geen schade lijdt wanneer deze in een vorige functie de belangen van de Nederlandse Staat verdedigde in vergelijkbare procedures bij het Hof van Justitie van de EU. De inbreng van deze raadsheer geschiedde immers in de hoedanigheid van de toenmalige functie van de betrokken raadsheer als gemachtigde van de Nederlandse Staat. Zij gaf niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de ambtenaar zelf weer. De functie waarin de betrokken ambtenaar thans te werk is gesteld, te weten die van raadsheer in de Hoge Raad, brengt mee dat hij is geroepen als rechter de toepasselijke regelingen uit te leggen en toe te passen. Daarbij is hij in geen enkel opzicht gebonden aan eerder ingenomen standpunten in zijn hoedanigheid van gemachtigde van de Nederlandse Staat.

Het voorgaande neemt niet weg dat bezwaren tegen het optreden van een raadsheer gerechtvaardigd kunnen zijn indien hij zich in het verleden met dezelfde zaak in een andere hoedanigheid heeft beziggehouden. Dat vormt ook de reden dat raadsheren die tevoren advocaat waren, zich in elk geval niet mogen bezighouden met zaken waarin zij als advocaat zijn opgetreden. In het onderhavige geval doet zich een zodanige situatie echter niet voor.

De Hoge Raad wijst het wrakingsverzoek van X af.