Contentverzamelaar

EU-bescherming voor dieren tijdens vervoer houdt niet op aan buitengrenzen van de EU
De EU-eisen inzake de tussenpozen voor het drenken en het voederen en de transport- en rusttijden gelden ook voor het gedeelte van het vervoer dat buiten de Unie plaatsvindt. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Duitse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 23 april 2015 in zaak C-424/13, Zuchtvieh-Export GmbH/Stadt Kempten

Volgens de EU-Verdragen moeten de EU en de lidstaten ten volle rekening houden met wat vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel. Met dat doel heeft de EU-wetgever bij Verordening (EG) nr. 1/2005 de bescherming van dieren tijdens het vervoer gedetailleerd geregeld. Die verordening gaat uit van het beginsel dat dieren niet op zodanige wijze mogen worden vervoerd dat hun waarschijnlijk letsel of onnodig lijden wordt berokkend, en voorts van de overweging dat het dierenwelzijn verlangt dat het langdurig vervoeren zoveel mogelijk wordt beperkt.

Bij het Bayrische Verwaltungsgerichtshof (administratief gerechtshof van Beieren) is een procedure aanhangig tussen de Duitse onderneming Zuchtvieh-Export GmbH en de stad Kempten (Duitsland). De stad Kempten heeft in haar hoedanigheid van bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek geweigerd om een wegtransport van een partij runderen van Kempten naar Andizan (Oezbekistan) te laten vertrekken en geƫist dat de planning van het transport zou worden gewijzigd. De stad Kempten was immers van mening dat het journaal voor dit traject van 7 000 km (via Polen, Belarus, Rusland en Kazachstan) niet voldeed aan de eisen van de verordening, aangezien niet was voorzien in enige rust- of overlaadplaats voor het gedeelte van het transport dat ongeveer 146 uur in beslag zou nemen op het grondgebied van derde landen, tussen de plaatsen Brest (Belarus) en Karaganda (Kazachstan).

Het Bayrische Verwaltungsgerichtshof heeft het EU-Hof gevraagd of de eisen betreffende het transportjournaal en de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek om eventueel wijzigingen te eisen, in het geval van een vervoer van een lidstaat naar een derde staat, ook van toepassing zijn op het gedeelte van het transport dat buiten de Unie plaatsvindt.

Met zijn arrest van heden geeft het Hof van Justitie een bevestigend antwoord op die vraag.

Daarom kan de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek een vervoer met een lang transport van paarden, runderen, varkens, schapen of geiten slechts goedkeuren wanneer de organisator van het transport een journaal overlegt dat realistisch is en het aannemelijk maakt dat de bepalingen van voornoemde verordening zullen worden nageleefd, en dit ook voor het deel van het transport dat buiten de Unie plaatsvindt. Uit de planning van het transport zoals deze voortvloeit uit het journaal, moet blijken dat het voorgenomen vervoer in overeenstemming zal zijn met onder meer de technische voorschriften met betrekking tot de tussenpozen voor het drenken en het voederen, alsmede de transport- en rusttijden.4 Wanneer het journaal niet aan die voorwaarden voldoet, mag de autoriteit verlangen dat de organisatie van het vervoer wordt gewijzigd.

De verordening onderwerpt het vervoer van dieren vanuit de Unie naar derde landen immers niet aan een bijzondere goedkeuringsregeling, die zou afwijken van die welke geldt bij vervoer binnen de Unie. Met het oog daarop dient de organisator van een lang transport aan de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek een kopie te bezorgen van de naar behoren ingevulde afdeling 1 van het journaal, die de planning van het transport betreft.

De vermeldingen van die afdeling betreffende met name de geplande rustplaatsen, overlaadplaatsen of plaatsen van uitgang moeten het volledige voorgenomen vervoer betreffen, vanaf de plaats van vertrek tot de plaats van bestemming. Bij een lang transport naar een derde land moet het journaal bijgevolg de vereiste vermeldingen bevatten betreffende de tussenpozen voor het drenken en het voederen en de transport- en rusttijden zowel voor het deel van het transport op het grondgebied van de Unie als voor het deel van het transport op het grondgebied van derde landen.

Het Hof is van oordeel dat de bevoegde autoriteit in het kader van de controle van het journaal voorafgaand aan het transport over een zekere beoordelingsmarge beschikt op grond waarvan zij naar behoren rekening kan houden met de onzekerheden die gepaard gaan met een lang transport waarvan een gedeelte plaatsvindt op het grondgebied van een derde land.

Wanneer het recht of de administratieve praktijken van een derde land dat betrokken is bij het transport er aantoonbaar en definitief aan in de weg staan dat bepaalde technische voorschriften van de verordening volledig in acht worden genomen, mag de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek in het kader van haar beoordelingsmarge ook een realistische planning aanvaarden die het, gelet op de wijze waarop de transportmiddelen zijn ingericht en de geplande organisatie van het transport, mogelijk maakt aan te nemen dat het voorgenomen vervoer het welzijn van de dieren verzekert op een niveau dat vergelijkbaar is met die technische voorschriften.

In elk geval mag de autoriteit onder meer verlangen dat de planning van het betrokken vervoer aldus wordt gewijzigd dat wordt verzekerd dat dit vervoer voldoende rust- en overstapplaatsen zal aandoen, waardoor kan worden aangenomen dat bij het vervoer de eisen inzake de tussenpozen voor het drenken en het voederen, alsmede de transport- en rusttijden in acht zullen worden genomen.