Contentverzamelaar

EU-Handvest van toepassing op ontneming kiesrecht bij verkiezingen voor het Europees Parlement
Een nationale regeling die een veroordeelde het kiesrecht ontneemt, biedt mogelijkheid tot nieuwe inzichten over de reikwijdte van het EU-Grondrechtenhandvest. AG Cruz Villalon zet in zijn advies aan het Hof uiteen waarom het Handvest in dit geval van toepassing is en concludeert dat voor de inhoudelijke toets aangesloten dient te worden bij de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Het gaat om de conclusie in de zaak C-650/13. Deze zaak gaat over een Fransman die niet mag stemmen vanwege een strafrechtelijke veroordeling. Delvigne is in 1988 wegens moord tot 12 jaar gevangenisstraf veroordeeld met als bijkomstige automatische straf permanent verval van zijn kiesrecht. In 1994 is Franse wetgeving aangepast waardoor permanent verval van kiesrecht niet langer automatisch gevolg is van ernstige bestraffing. Delvigne wil dat deze nieuwe wetgeving op hem wordt toegepast. Hij  beroept zich daarbij op het artikel 49 Handvest waarin is bepaald dat wanneer een wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, deze van toepassing is. Ook stelt hij dat de permanente en automatische uitsluiting op basis van de voormalige Franse regeling in strijd is met artikel 39 Handvest waarin het stemrecht bij verkiezingen voor het EP is vastgelegd. Over de toepassing van deze bepalingen stelt de Franse rechter vragen aan het EU-Hof.

Een belangrijk deel van de conclusie ziet op de ontvankelijkheid van het Hof en daarmee op de reikwijdte van het Handvest. De AG verwijst naar het arrest Ã…kerberg Fransson en concludeert hieruit dat het Handvest van toepassing is wanneer er sprake is van een situatie die door het Unierecht wordt beheerst. Of dit inderdaad het geval is moet volgens hem voor beide ingeroepen bepalingen uit het Handvest apart worden onderzocht.

Wat betreft artikel 49 Handvest concludeert de AG dat met de weigering om de gunstigere strafwetgeving van 1994 toe te passen geen uitvoering wordt gegeven aan het Unierecht. Hij overweegt dat in tegenstelling tot de situatie in Ã…kerberg Fransson er geen sprake is van Unierechtelijke bepalingen waaruit de nationale sanctiebevoegdheid voortvloeit. Hij benadrukt dat de bestraffing van moord absoluut niet tot de bevoegdheid van de Unie behoort. Het herstel van kiesrecht dat het gevolg zou zijn van eventuele terugwerkende kracht, ziet hij als een bijkomend willekeurig gevolg en dat kan niet afdoen aan de conclusie dat er geen sprake is van ten uitvoerbrenging van EU recht.

Met betrekking tot artikel 39 Handvest acht de AG het Hof wel bevoegd. De AG ziet een duidelijk verband tussen de Franse regeling en het Unierecht, gelegen in artikel 223 VWEU. Op basis van dit artikel is het aan de Uniewetgever om een eenvormige procedure voor EP verkiezing of de gemeenschappelijke beginselen waarop EP verkiezing moet zijn gebaseerd, vast te stellen. Het feit dat van deze bevoegdheid nog geen gebruik is gemaakt, doet volgens de AG niet af aan de conclusie dat het de wil is van de wetgever dat een EP verkiezing een situatie is die door het Unierecht wordt beheerst.

Vervolgens toetst de AG de (voormalige) Franse regeling inzake het verlies van kiesrecht aan artikel 39 lid 2 Handvest. De regeling vormt een beperking van het kiesrecht. Vraag  is vervolgens of de beperking evenredig is. Hiervoor sluit de AG aan bij de rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft reeds geoordeeld dat permanente ontneming van het kiesrecht toelaatbaar is, zolang de ontneming geen gevolg is van een systeem waarin criteria algemeen, automatisch en ongedifferentieerd worden toegepast. De AG volgt deze lijn en stelt dat het aan de nationale rechter is om na te gaan of mogelijkheden voor herziening in de Franse regeling in de praktijk voldoende haalbaar zijn om feitelijk uit te sluiten dat de ontneming van het kiesrecht onherroepelijk van blijvende aard is.