EU-Hof bevestigt openbaarheid juridisch advies Raad

Contentverzamelaar

EU-Hof bevestigt openbaarheid juridisch advies Raad
Een verzoek om openbaarmaking van een juridisch advies van de Raad mag niet meer automatisch worden geweigerd. De Raad moet telkens een specifieke afweging maken, ook als het advies geen betrekking heeft op een wetgevingsprocedure. Dat geldt ook voor een advies over de keuze van de rechtsgrondslag van een mandaat voor internationale onderhandelingen. Alleen de verwijzingen naar de inhoud van het beoogde verdrag mag de Raad weglaten. Dat heeft het EU-Hof bepaald in een geschil tussen EP-lid In ’t Veld en de Raad.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 3 juli 2014 in de zaak C-350/12 P.

Europarlementariër Sophie In ’t Veld verzocht de Raad in 2009 om openbaarmaking van een advies van de juridische dienst van de Raad (JDR) over de keuze van de rechtsgrondslag van een onderhandelingsmandaat voor een overeenkomst tussen de VS en de EU over de doorgifte van bankgegevens (SWIFT-akkoord) met het oog op de bestrijding van terrorisme. Het advies ging specifiek over de rechtsgrondslag van het besluit om de onderhandelingen met de VS te openen.

De Raad heeft slechts gedeeltelijk toegang verleend. Hij besloot bepaalde onderdelen van het advies niet openbaar te maken vanwege de “bescherming van het openbaar belang op het vlak van internationale betrekkingen” en de “bescherming van juridisch advies”. Dit zijn uitzonderingen die genoemd worden in artikel 4 van de Eurowob (transparantieverordening).

In ’t Veld is opgekomen tegen dit besluit bij het Gerecht van de EU. Het Gerecht heeft een aantal van haar argumenten aanvaard en het besluit van de Raad gedeeltelijk nietig verklaard. Het Gerecht gaf daarbij aan dat alleen die delen van het juridisch advies die specifiek zien op de inhoud van de overeenkomst of de onderhandelingsrichtsnoeren met een beroep op de bescherming van de internationale betrekkingen niet openbaar hoeven te worden gemaakt. Onenigheid over de keuze van de rechtsgrondslag kan de belangen van de EU inzake internationale betrekkingen volgens het Gerecht niet ondermijnen. Daarnaast heeft de Raad naar het oordeel van het Gerecht ook niet concreet en daadwerkelijk aangetoond dat openbaarmaking van het advies zou leiden tot minder eerlijke, objectieve en volledige juridische adviezen van de JDR aan de leden van de Raad.

De Raad heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij het EU-Hof. Deze heeft de eerdere uitspraak van het Gerecht nu bevestigd en het hoger beroep geheel afgewezen. Het Hof herinnert eraan dat de Eurowob tot doel heeft het recht van toegang van het publiek tot documenten maximaal zijn beslag te geven. Uitzonderingen op dit beginsel dienen strikt te worden uitgelegd en toegepast. De enkele omstandigheid dat een document betrekking heeft op  de internationale betrekkingen van de EU of op juridisch advies, volstaat dan ook niet om een uitzondering op het recht van toegang toe te passen. De betrokken instelling dient aan te tonen dat er sprake is van een risico op een concrete en daadwerkelijke ondermijning van deze belangen, dat redelijk voorzienbaar en niet louter hypothetisch is. Daarnaast dient het belang dat beschermd wordt door het betrokken juridisch advies niet openbaar te maken, te worden afgewogen tegen het algemeen belang van de ruimst mogelijke toegang van het publiek tot documenten.

Al eerder heeft het Hof in het arrest Turco al uitgemaakt dat juridische adviezen in het kader van de wetgevingsprocedure niet uitgezonderd zijn van deze toets. Het Hof breidt deze rechtspraak nu uit tot alle juridische adviezen.

De klacht van de Raad dat het Gerecht de kern van de inhoud van het advies in zijn beoordeling had betrokken wuift het Hof weg, omdat deze informatie al was opgenomen in een resolutie van het Europees Parlement uit 2009. Die openbaarmaking moet de Raad langs andere weg aanvechten, is de boodschap van het Hof.

Naar de mening van het Hof heeft het Gerecht terecht overwogen dat de Raad niet heeft aangetoond dat de openbaarmaking van gegevens uit de analyse betreffende de keuze van de rechtsgrondslag, de belangen van de Unie op het vlak van internationale betrekkingen schaadt, dan wel de bescherming van juridische adviezen ondermijnt.

Lees hier ook de eerdere uitspraak van het Gerecht in deze zaak.