EU-Hof: Commissiebesluit tot plaatsing van een vliegtuig op een lijst van luchtvaartuigen waarvoor een vliegverbod geldt vormt een ‘voor beroep vatbare handeling’

Contentverzamelaar

EU-Hof: Commissiebesluit tot plaatsing van een vliegtuig op een lijst van luchtvaartuigen waarvoor een vliegverbod geldt vormt een ‘voor beroep vatbare handeling’

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 8 oktober 2026 in de zaak C-482/24 P Global Airlines/Commissie, waarin het de beschikking van het EU-Gerecht van 29 april 2024 in de zaak T-277/23 heeft vernietigd. 

De luchtvaartmaatschappij Global 8 Airlines had het EU-Gerecht verzocht om nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie waarbij twee vliegtuigen werden opgenomen op de lijst van luchtvaartuigen waarvoor een vliegverbod geldt krachtens artikel 3 quinquies van Verordening 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/334 [..] betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren. Het EU-Gerecht verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het besluit van de Commissie geen voor beroep vatbare handeling was.

Het EU-Hof oordeelt dat het EU-Gerecht een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Het EU-Hof herinnert eraan dat op grond van artikel 263 EU-Werkingsverdrag beroep openstaat tegen alle door de instellingen, organen of instanties van de Unie vastgestelde bepalingen – ongeacht de vorm – die beogen bindende rechtsgevolgen teweeg te brengen. Om te bepalen of een handeling  bindende rechtsgevolgen teweegbrengt , moet er worden gekeken naar de wezenlijke inhoud van de handeling en naar de intentie van de auteur ervan. Het EU-Gerecht heeft volgens het EU-Hof nagelaten om een concrete analyse van de wezenlijke inhoud van het besluit te maken en heeft de Commissie niet verzocht het betrokken besluit te overleggen. In haar analyse heeft het EU-Gerecht geen redenen betrokken die verband houden met de wezenlijke inhoud van het besluit  maar heeft het vooral gewicht toegekend aan de context waarin de handeling is vastgesteld en de bevoegdheden van de instelling die deze heeft vastgesteld. Hiermee heeft het EU-Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. 

Tevens oordeelt het EU-Hof dat, of een handeling vatbaar voor beroep is, objectief moet worden beoordeeld aan de hand van de wezenlijke inhoud ervan en niet op basis van wie de verzoekende partij is. Voor de beoordeling of een handeling vatbaar is voor beroep hoeft dus niet te worden onderzocht of de rechtsgevolgen van de handeling de rechtspositie van de verzoekende partij kunnen beïnvloeden. Dat is uitsluitend relevant in het kader van het onderzoek naar de naleving van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, EU-Werkingsverdrag. Het EU-Gerecht is volgens het EU-Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door de vereisten van de eerste respectievelijk de vierde alinea van artikel 263 van het EU-Werkingsverdrag met elkaar te verwarren. 

Het EU-Hof vernietigt daarom de beschikking van het Gerecht, wijst de eerste drie door de Commissie opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid af en verwijst de zaak terug naar het Gerecht voor verdere behandeling.