EU-Hof: Detacheringsverklaring mag niet buiten beschouwing worden gelaten zonder voorafgaande dialoog met de lidstaat van afgifte

Contentverzamelaar

EU-Hof: Detacheringsverklaring mag niet buiten beschouwing worden gelaten zonder voorafgaande dialoog met de lidstaat van afgifte
De lidstaat van ontvangst kan een op frauduleuze wijze verkregen verklaring slechts buiten beschouwing laten indien zij contact heeft gezocht met de lidstaat van afgifte en deze lidstaat heeft nagelaten om mee te werken. Het doeltreffendheidsbeginsel verzet zich ertegen dat een civiele rechter gebonden is aan een met het EU-recht strijdige strafrechtelijke veroordeling. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Franse rechter.

Vueling Airlines, een luchtvaartmaatschappij met hoofdkantoor in Barcelona (Spanje) en een inschrijving in het handels- en ondernemingsregister van Bobigny (Frankrijk), verzorgt reguliere vluchten tussen luchthaven Roissy – Charles de Gaulle (Frankrijk) en diverse Spaanse steden. In deze gevoegde zaken gaat het om cabine- en cockpitpersoneel die op grond van een detacheringsovereenkomst tijdelijke werkzaamheden verrichtten voor Vueling Airlines. De contracten van deze medewerkers waren onderworpen aan het Spaanse recht. Deze medewerkers verrichtten hun werkzaamheden voornamelijk vanuit een filiaal op luchthaven Roissy (Frankrijk). Een Spaans bevoegd orgaan heeft E101-verklaringen afgegeven. Deze verklaringen geven aan dat de gedetacheerde werknemers onderworpen zijn aan het Spaanse recht.

In deze gevoegde zaken zijn de destijds geldende EG-verordening 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna: verordening sociale zekerheid) en EG-verordening 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening 1408/71 (hierna: toepassingsverordening) van belang.

Artikel 14, punt 1, onder a van de verordening sociale zekerheid bepaalt dat een werknemer, die tewerkgesteld is op het grondgebied van een lidstaat en voor niet langer dan twaalf maanden wordt gedetacheerd op het grondgebied van een andere lidstaat, onderhevig blijft aan het recht van de eerstgenoemde lidstaat. Artikel 11, lid 1, onder a van de toepassingsverordening bepaalt dat de lidstaat, waarvan de wetgeving overeenkomstig artikel 14, punt 1, onder a van de verordening sociale zekerheid van toepassing is op gedetacheerde werknemers, op verzoek een bewijs verstrekt (E101-verklaring) waaruit blijkt dat de werknemer onderworpen is aan het sociale zekerheidsrecht van die lidstaat.

Artikel 14, punt 2, onder a, onder i van de verordening sociale zekerheid bepaalt dat een werknemer, die in twee of meer lidstaten in loondienst werkzaamheden verricht en werkzaam is bij een filiaal of een vaste vertegenwoordiging, onderworpen is aan het recht van die lidstaat waar dat filiaal of vaste vertegenwoordiging zich bevindt. Artikel 84 bis, lid 3, van de verordening sociale zekerheid bepaalt dat lidstaten bij geschillen over de toepassing van de verordening contact met elkaar moeten leggen en zo nodig de Administratieve Commissie kunnen inschakelen om het geschil op te lossen.

In deze gevoegde zaken heeft eerder de strafkamer van de Franse Cour de Cassation geoordeeld dat de E-101-verklaringen niet hadden mogen worden verstrekt op grond van artikel 14, punt 1, onder a van de verordening sociale zekerheid. Volgens de Franse strafrechters was artikel 14, punt 2, onder a, onder i van diezelfde verordening van toepassing en hadden de werknemers aangesloten moeten zijn bij het Franse socialezekerheidsstelsel. Vueling Airlines zou zich eveneens schuldig hebben gemaakt aan frauduleuze handelingen om gebruik te kunnen maken van de E101-verklaring.

De  civiele kamer van de Franse Cour de Cassation, die nu moet oordelen over een schadevordering van een pensioeninstelling, wil nu van het EU-Hof weten of hij in zo’n geval een E101-verklaring buiten beschouwing kan laten. Ook wil hij weten of een civiele rechter, die het beginsel van het gezag van gewijsde van strafrechtelijke uitspraken moet eerbiedigen, een werkgever louter op grond van een met het EU-recht strijdige strafrechtelijke veroordeling civielrechtelijk kan veroordelen.

EU-Hof

Het EU-Hof overweegt met betrekking tot de eerste vraag dat bij de vaststelling of er sprake is van fraude bij de afgifte van een E101-verklaring gekeken moet worden naar een samenstel van bij elkaar passende aanwijzingen. Uit deze aanwijzingen moet zowel objectief als subjectief kunnen worden vastgesteld dat er sprake is van fraude. Het objectieve gegeven ziet op de vaststelling dat niet is voldaan aan de voorwaarden om een dergelijke E101-verklaring te kunnen verkrijgen. Het subjectieve gegeven ziet op de intentie van de betrokkene om de voorwaarden voor de afgifte te omzeilen of te ontduiken. Het EU-Hof komt in deze zaak tot de conclusie dat zowel aan het objectieve als het subjectieve gegeven is voldaan.

Het EU-Hof concludeert op grond van het voorgaande dat er concrete aanwijzingen zijn dat er sprake is van fraude. Deze aanwijzingen zijn echter onvoldoende om definitief te kunnen vaststellen dat er sprake is van fraude en dat daardoor de E101-verklaringen buiten toepassing kunnen worden gelaten. Het EU-Hof overweegt dat een rechterlijke instantie een E101-verklaring slechts buiten beschouwing mag laten, indien zij voldaan heeft aan de procedure overeenkomstig artikel 84 bis, lid 3 van de verordening sociale zekerheid. Op grond van deze bepaling moeten de lidstaat van afgifte en de lidstaat van ontvangt in dialoog treden. Ook moeten ze nauw samenwerken om de twijfels over de afgifte van de E101-verklaring te kunnen wegnemen.

De rechterlijke instantie mag een E101-verklaring slechts buiten beschouwing laten als voldaan is aan twee voorwaarden. Ten eerste moet de procedure van artikel 84 bis, lid 3 van de verordening sociale zekerheid zijn gestart. Dit stelt de lidstaat van afgifte in staat om de E101-verklaring, in het licht van de concrete aanwijzingen van de lidstaat van ontvangst, opnieuw te onderzoeken. Ten tweede moet de lidstaat van afgifte het hebben nagelaten een dergelijke heroverweging te verrichten. Ook moet zij hebben nagelaten binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over deze gegevens en de betrokken verklaringen in voorkomend geval nietig te verklaren of in te trekken. 

Met betrekking tot de tweede vraag herinnert het EU-Hof aan het belang van het beginsel van het gezag van gewijsde van uitspraken binnen de EU-rechtsorde en de nationale rechtsordes. Bij gebreke van een EU-regeling behoort de wijze waarop dit beginsel ten uitvoer wordt gelegd tot de procedurele autonomie van de lidstaten. Zij moeten echter wel het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel respecteren. Het EU-Hof oordeelt dat in deze zaak het doeltreffendheidsbeginsel zich verzet tegen de toepassing van het beginsel van gezag van gewijsde van uitspraken. De strafrechtelijke veroordeling is namelijk gebaseerd op de vaststelling van fraude, waarbij voorbij gegaan is aan de dialoogprocedure van artikel 84 bis, lid 3 van de verordening sociale zekerheid. Het EU-Hof oordeelt dat bij een ander oordeel de onjuiste toepassing van het EU-recht wordt herhaald, zonder dat deze onjuiste toepassing kan worden bijgestuurd.