EU-Hof gaat niet over nationale winkelsluitingswet

Contentverzamelaar

EU-Hof gaat niet over nationale winkelsluitingswet
Een nationale winkelsluitingswet valt niet binnen het toepassingsgebied van het EU-recht. Daarom is het EU-Hof niet bevoegd om de bepalingen van het EU-Handvest van de Grondrechten uit te leggen.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 8 mei 2014 in de zaak C-483/12, Pelckmans Turnhout.

De zaak betreft de wekelijkse winkelsluitingsdag in de Belgische openingsurenwet. De wet geeft een aantal uitzonderingen. Zo vallen winkels op bepaalde locaties, zoals treinstations, luchthavens, en tankstations, niet onder de regeling. Ook zijn verkopers van bepaalde producten, zoals kranten, tabak en telefoonkaarten, uitgezonderd. Bovendien is het enkel van toepassing op ondernemingen die zich richten op de consument (groothandel is bijvoorbeeld uitgezonderd) en op fysieke winkels (internetwinkels zijn uitgezonderd). Bepaalde winkels ondervinden hierdoor meer nadeel dan anderen. Een aantal winkels dat de nationale regeling overtreedt wordt voor de nationale rechter gedaagd.

De nationale rechter vraagt het EU-Hof of een nationale wettelijke regeling als de openingsurenwet in strijd is met het Handvest. Hij doelt hier op het gelijkheids‑ en het non-discriminatiebeginsel (artikel 20 van het Handvest regelt de gelijkheid voor de wet, artikel 21 van het Handvest betreft non-discriminatie) in samenhang met de bepalingen omtrent het vrij verkeer van goederen (artikelen 34 - 36 EU-Werkingsverdrag) en het vrij verkeer van diensten (artikelen 56 - 57 EU-Werkingsverdrag).

Het EU-Hof verklaart zich onbevoegd, omdat een winkelsluitingsregeling niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Het Handvest is derhalve ook niet van toepassing.

De redenering van het Hof is als volgt. Artikel 51 lid 1 Handvest bepaalt dat de lidstaten alleen aan het Handvest zijn gebonden wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Het Hof verwijst naar het eerdere arrest in de zaak Ă…kerberg en stelt dat dit het geval is wanneer een nationale regeling binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt. Wanneer een juridische situatie niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, is het Hof niet bevoegd daarover uitspraak te doen. Dit correspondeert ook met artikel 6, lid 1, van het EU-Verdrag en artikel 51, lid 2, van het Handvest, op grond waarvan de bepalingen van het Handvest de bevoegdheden van de Unie niet kunnen uitbreiden of wijzigen.

Het EU-Hof stelt dat in dit geval uit geen enkel concreet element blijkt dat de situatie in de nationale procedure binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt.  Die procedure heeft geen enkel aanknopingspunt met een van de situaties waarop de Verdragsbepalingen betrekking hebben waarnaar de  nationale rechter verwijst.

De bepalingen omtrent het vrije verkeer van goederen zijn niet van toepassing, omdat de nationale winkelsluitingsregeling geldt voor alle betrokken marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien en niet discrimineert tussen nationale producten en producten uit andere lidstaten.

De bepalingen omtrent het vrij verkeer van diensten zijn niet van toepassing, omdat de regeling geldt voor alle marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, zij niet tot doel heeft de voorwaarden voor de uitvoering van de dienstverrichting te regelen, en de mogelijke beperkingen op het vrij verkeer van diensten te onzeker en indirect zijn om te spreken van een belemmering.

Omdat er geen aanknopingspunten zijn in het Unierecht is het EU-Hof niet bevoegd om de door de nationale rechter vermelde bepalingen van het Handvest uit te leggen.