EU-Hof: Geen toepassing van hogere nationale grondrechtenbescherming op EU-aanhoudingsbevel dat voldoet aan lagere Handvestbescherming
Wanneer voldaan is aan de beschermingsvereisten van een Europees aanhoudingsbevel mogen daaraan geen extra eisen worden gesteld op basis van nationale grondrechten. Dat is in strijd met de voorrang van het Unierecht, zo heeft het EU-Hof bepaald op vragen van een Spaanse rechter.

Het betreft het arrest van het EU-Hof van 26 februari 2013, zaak C-399/11 (Melloni).

In deze zaak staat de vraag centraal of een lidstaat met een beroep op zijn eigen constitutionele rechtsorde kan afwijken van het beschermingsniveau van het EU-Handvest van de Grondrechten en van het EVRM. In Spanje bestaat een bijna absoluut recht voor een verdachte om lijfelijk aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn strafzaak. Een bij verstek veroordeelde persoon overleveren op grond van een Europees aanhoudingsbevel zonder te eisen dat de veroordeling in de verzoekende lidstaat kan worden herzien stuit daarom op bezwaren onder de Spaanse constitutie.

De bescherming onder de Spaanse constitutie gaat verder dan wat de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Europees aanhoudingsbevel over het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging voorschrijven.

Het EU-Hof overweegt dat artikel 53 van het Handvest bevestigt dat, wanneer een handeling van Unierecht nationale uitvoeringsmaatregelen vereist, het de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties blijft vrijstaan de nationale grondrechtenbescherming toe te passen, mits daardoor het beschermingsniveau van het Handvest, zoals door het Hof uitgelegd, en de voorrang, eenheid en werking van het recht van de Unie niet in het gedrang komen.

Maar volgens het EU-Hof mogen volgens artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, de lidstaten niet weigeren om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen wanneer de betrokkene in een van de vier in deze bepaling genoemde gevallen verkeert.

Bovendien is het kaderbesluit juist aangepast om een oplossing te vinden voor de problemen bij de wederzijdse erkenning van buiten de aanwezigheid van de verdachte in persoon gegeven beslissingen doordat er tussen de lidstaten verschillen bestaan op het gebied van de grondrechtenbescherming. Daartoe voorziet het EAB-kaderbesluit in een harmonisatie van de tenuitvoerleggingsvoorwaarden van een bij een veroordeling bij verstek uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel. Die vormt een weerspiegeling van de door alle lidstaten bereikte consensus over de reikwijdte die krachtens het recht van de Unie moet worden verleend aan de procedurele rechten van bij verstek veroordeelden tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.

Een lidstaat kan zich daarom niet op artikel 53 van het Handvest beroepen om de overlevering van een bij verstek veroordeelde afhankelijk te stellen van de in het kaderbesluit niet genoemde voorwaarde dat de veroordeling in de uitvaardigende lidstaat kan worden herzien ter voorkoming dat inbreuk wordt gemaakt op het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging, welke in de grondwet van de uitvoerende lidstaat zijn gewaarborgd.  Dan zou afbreuk worden gedaan aan de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning, die het kaderbesluit beoogt te versterken, en zou de doelmatigheid van dit kaderbesluit dus in het gedrang komen doordat de uniformiteit van de in dit kaderbesluit vastgestelde grondrechtenbescherming ter discussie wordt gesteld, aldus het EU-Hof.

Zie hier het arrest.