EU-Hof: Grensarbeider heeft recht op kinderbijslag voor voorkind van echtgenoot

Contentverzamelaar

EU-Hof: Grensarbeider heeft recht op kinderbijslag voor voorkind van echtgenoot
De beperking van het recht op Luxemburgse kinderbijslag tot de eigen kinderen van grensarbeiders is in strijd met het verbod van discriminatie. Want als de voorkinderen van hun echtgenoot in Luxemburg hadden gewoond, bestond voor hen wel recht op kinderbijslag. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Luxemburgse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 2 april 2020 in de zaak C-802/18 Caisse pour l’avenir des enfants .

Het echtpaar FV en GW wonen samen met drie kinderen in Frankrijk, waarvan HY een kind is van GW uit een vorige relatie. Tot de inwerkingtreding van nieuwe bepalingen in het Luxemburgse wetboek sociale zekerheid op 1 augustus 2016, ontving het echtpaar kinderbijslag voor de drie kinderen wegens de hoedanigheid van grensarbeider van FV, die in Luxemburg werkt. Bij besluit van 8 november 2016 heeft Caisse pour l’avenir des enfants (hierna: CAE) geoordeeld dat FV niet langer recht heeft op kinderbijslag voor HY vanaf 1 augustus 2016, omdat HY geen gezinslid is van FV in de zin van EU-verordening 883/2004 en de nieuwe Luxemburgse wetgeving.

In deze zaak is artikel 45 EU-Werkingsverdrag (VWEU) en EU-verordening 492/2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers (hierna: de verordening) van belang. Artikel 7, lid 1 van de verordening bepaalt dat een werknemer die onderdaan is van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat niet op grond van zijn nationaliteit anders mag worden behandeld dan de nationale werknemers. Artikel 7, lid 2 van de verordening bepaalt dat deze werknemer dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers geniet. Ook is EU-verordening 883/2004 betreffende de coördinatie van socialezekerheidsstelsels van belang. Op grond van artikel 67 van die verordening hebben personen, en ook hun gezinsleden die in een andere lidstaat wonen, op grond van de wetgeving van de bevoegde lidstaat waar zij werken recht op gezinsbijslagen alsof deze gezinsleden in de eerstbedoelde lidstaat wonen.

De Luxemburgse rechter vraagt het EU-Hof of de kinderbijslag die verbonden is aan de verrichting van arbeid in loondienst in een lidstaat door een grensarbeider, een sociaal voordeel in de zin van verordening 492/2011 vormt. Daarnaast vraagt deze rechter of het EU-recht in de weg staat aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan grensarbeiders slechts kinderbijslag (die verbonden is aan de verrichting van arbeid in loondienst) in een lidstaat kunnen ontvangen voor hun eigen kinderen, en niet voor de kinderen van hun echtgenoot met wie zij geen afstammingsband hebben, terwijl het recht op deze kinderbijslag wel geldt voor alle kinderen die in die lidstaat wonen.

EU-Hof

Het EU-Hof wijst er om te beginnen op dat het begrip sociaal voordeel voor onderdanen van een lidstaat die werken op het grondgebied van een andere lidstaat, alle voordelen omvat die in het algemeen aan nationale werknemers worden toegekend, met name op grond van hun objectieve hoedanigheid van werknemer. Het EU-Hof overweegt vervolgens dat uit het dossier blijkt dat de kinderbijslag in geschil in het hoofdgeding, voor een grensarbeider als FV verbonden is aan de verrichting van arbeid in loondienst in Luxemburg. Het EU-Hof concludeert met betrekking tot de eerste vraag dat de kinderbijslag die verbonden is aan de verrichting van arbeid in loondienst in een lidstaat door een grensarbeider, een sociaal voordeel vormt in de zin van artikel 45 VWEU en artikel 7, lid 2 van EU-verordening 429/2011 .

Vervolgens merkt het EU-Hof op dat de bijslag wordt uitgekeerd onafhankelijk van een individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften. Het EU-Hof stelt dat daaruit blijkt dat de bijlage een overheidsbijdrage aan het gezinsbudget vormt ter verlichting van de lasten die voortvloeien uit het onderhoud van kinderen. In die omstandigheden concludeert het EU-Hof dat de kinderbijslag een socialezekerheidsuitkering is in de zin van EU-verordening 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels . Deze verordening is van toepassing op een grensarbeider als FV, alsmede indirect op zijn gezinsleden. Op grond van artikel 67 van die verordening dienen FV en zijn gezinsleden aanspraak te kunnen maken op gezinsbijslagen in Luxemburg op gelijke voet met de nationale werknemers en hun gezinsleden.

Daarnaast merkt het EU-Hof op dat gezinsleden van een migrerende werknemer de indirecte begunstigden zijn van de gelijke behandeling met betrekking tot sociale voordelen waarop deze werknemer uit hoofde van EU-verordening 492/2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers recht heeft. Volgens het EU-Hof hebben ook kinderen van de echtgenoot of partner met wie de migrerende werknemer een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, en waarvan de werknemer in de onderhoud van dat kind voorziet, een indirect recht op gelijke behandeling.

Voorts stelt het EU-Hof dat het beginsel van gelijke behandeling, zoals neergelegd in de bovengenoemde twee verordeningen, naast discriminatie op grond van nationaliteit, ook alle andere vormen van discriminatie door toepassing van andere onderscheidscriteria verbiedt die in feite leiden tot hetzelfde resultaat. Derhalve dient te worden beoordeeld of in het geval van FV er sprake is van enige vorm van discriminatie. Uit de relevante Luxemburgse wetgeving blijkt dat werknemers in Luxemburg aanspraak kunnen maken op de kinderbijslag voor alle in Luxemburg woonachtige kinderen, met inbegrip van de kinderen van de echtgenoot van deze werknemer waarvan hij/zij in het onderhoud van dit kind voorziet, in tegenstelling tot niet-ingezeten werknemers. De laatstgenoemden kunnen slechts aanspraak maken op de bijslag voor hun eigen kinderen, waarmee zij een afstammingsband hebben. Een dergelijk onderscheid op basis van woonplaats, werkt volgens het EU-Hof hoofdzakelijk ten nadele van onderdanen van andere lidstaten en vormt derhalve indirecte discriminatie op basis van nationaliteit, welke in de onderhavige zaak niet objectief kan worden gerechtvaardigd.

Het EU-Hof erkent dat het aan de lidstaten is voorbehouden te bepalen wie er recht heeft op gezinsbijslagen. Maar het beginsel van gelijke behandeling staat in de weg aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan niet-ingezeten werknemers slechts kinderbijslag kunnen ontvangen voor hun eigen kinderen, en niet voor de kinderen van hun echtgenoot met wie zij geen afstammingsband hebben, terwijl zij wel in hun onderhoud voorzien. Voor deze kinderen zou immers wel recht op kinderbijslag bestaan als zij Luxemburg zouden wonen, omdat het recht op kinderbijslag geldt voor alle kinderen die in die lidstaat wonen.