EU-Hof: Honoraire vrederechters kunnen recht hebben op jaarlijkse vakantie met doorbetaling van loon

Contentverzamelaar

EU-Hof: Honoraire vrederechters kunnen recht hebben op jaarlijkse vakantie met doorbetaling van loon
Italiaanse vrederechters die hun ambt honorair uitoefenen en per zitting betaald worden, kunnen worden beschouwd als “werknemer” in de zin van de EU-arbeidstijdenrichtlijn. Deze vrederechters hebben dan net als gewone rechters recht op jaarlijkse vakantie met doorbetaling van loon, tenzij gewone rechters en vrederechters zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden of het verschil in behandeling kan worden gerechtvaardigd op grond van een objectieve reden. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Italiaanse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 16 juli 2020 in de zaak C-658/18, UX tegen Governo della Repubblica italiana .

UX is in 2001 benoemd tot Giudice di pace (vrederechter). Een vrederechter is in Italië bevoegd in burgerlijke zaken en strafzaken en voor bemiddeling in burgerlijke zaken. Het ambt van vrederechter wordt bekleed door een “honorair” rechter die tot de rechterlijke macht behoort. De vrederechter ontvangt 35 of 55 euro per zitting en maakt tevens aanspraak op 250 euro per maand om de kosten voor opleiding, bijscholing en de algehele taakuitoefening te dekken.

Omdat de betalingen aan de vrederechters gekoppeld zijn aan het uitgevoerde werk heeft UX tijdens zijn vakantieperiode in augustus geen vergoeding ontvangen. Gewone rechters hebben echter recht op 30 dagen betaalde vakantie per jaar. Door een wetswijziging in 2017 hebben vrederechters ook recht op betaalde vakantie, maar deze regeling is niet van toepassing op UX vanwege de datum waarop zij haar ambt heeft aanvaard.

UX heeft bij de vrederechter in Bologna een vordering ingesteld tegen de Italiaanse staat wegens kennelijke schending van clausule 4 van de Raamovereenkomst inzake overeenkomsten voor bepaalde tijd (door de EU vastgelegd in richtlijn 99/70 ) (hierna: Raamovereenkomst), artikel 7, lid 1, EU-richtlijn 2003/88 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (hierna: Arbeidstijdenrichtlijn) en artikel 31 van het EU-Handvest van de grondrechten . UX vordert een bedrag ter hoogte van 4500 euro, het bedrag dat overeenkomst met het salaris dat een gewone rechter met dezelfde anciënniteit als UX ontving in de maand augustus.

Ten eerste wil de rechter van het EU-Hof weten of een vrederechter kan worden aangemerkt als “rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 EU-Werkingsverdrag . Daarnaast wil de rechter weten of vrederechters kunnen worden aangemerkt als “werknemer (met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd)” in de zin van artikel 7, lid 1 van de Arbeidstijdenrichtlijn, clausule 2 van de Raamovereenkomst en artikel 31 EU-Handvest van de grondrechten. Tenslotte wil de rechter weten of clausule 4 van de Raamovereenkomst zich er tegen verzet dat een vrederechter geen recht heeft op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon wanneer een gewone rechter dit recht wel heeft.

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt dat de vrederechter een “rechterlijke instantie” is in de zin van artikel 267 EU-Werkingsverdrag. In dit kader moet rekening worden gehouden met een samenstel van factoren. In deze zaak gaat het EU-Hof met name in op de voorwaarden die betrekking hebben op de verplichte rechtsmacht, de procedure op tegenspraak en het onafhankelijkheidscriterium.

Met betrekking tot de verplichte rechtsmacht oordeelt het EU-Hof dat het in deze zaak niet gaat om een arbeidsrechtelijk geschil, maar om een vordering tot schadeloosstelling wegens overheidsaansprakelijkheid. De vrederechter is bevoegd over dergelijke vorderingen te beslissen. Wat betreft de voorwaarde dat er sprake moet zijn van een procedure op tegenspraak brengt het EU-Hof in herinnering dat het reeds heeft geoordeeld dat ook in het kader van een procedure tot verkrijging van een betalingsbevel om een prejudiciële beslissing kan worden verzocht. Daarnaast oordeelt het EU-Hof dat aan het onafhankelijkheidscriterium is voldaan, onder meer omdat de wijze van benoeming, de ambtstermijn, het ontslag en de tuchtrechtelijke regelingen van vrederechters garanderen dat de vrederechter zijn taken volledig autonoom uitoefent.

Ten aanzien van de tweede vraag oordeelt het EU-Hof ten eerste dat een vrederechter onder het begrip “werknemer” in de zin van artikel 7, lid 1, Arbeidstijdenrichtlijn en artikel 31 EU-Handvest van de grondrechten kan vallen. In dit kader overweegt het EU-Hof dat een werknemer gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties verricht en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt. In relatie tot de vergoeding oordeelt het EU-Hof dat het gegeven dat het ambt van de vrederechter als “honorair” wordt aangemerkt niet inhoudt dat de beloningen niet als een vergoeding kunnen worden aangemerkt. Met betrekking tot de ondergeschiktheidsrelatie oordeelt het EU-Hof dat de vrederechter weliswaar onafhankelijk moet zijn, maar dat de vrederechters hun ambt administratief gezien in ondergeschiktheid van het ministerie van Justitie uitvoeren. Overeenkomstig artikel 7, lid 1, Arbeidstijdenrichtlijn hebben vrederechters dus recht op een betaalde vakantie. 

Daarnaast oordeelt het EU-Hof dat een vrederechter onder het begrip “werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd” in de zin van clausule 2, punt 1, raamovereenkomst kan vallen. Het EU-Hof oordeelt dat vrederechters in hum ambt reële en daadwerkelijke prestaties verrichten die niet louter marginaal en evenmin bijkomstig van aard zijn. Ook valt niet uit te sluiten dat de vergoedingen die vrederechters ontvangen het karakter van een beloning kunnen hebben. Tevens verrichten vrederechters hun werkzaamheden gedurende een bepaalde tijd, aangezien zij worden benoemd voor een (hernieuwbare) periode van vier jaar. Het staat uiteindelijk echter aan de nationale rechter om dit te beoordelen.

Het EU-Hof overweegt met betrekking tot de derde vraag dat het gegeven dat een gewone rechter in vaste dienst is en een honoraire rechter voor bepaalde tijd is aangesteld niet ertoe mag leiden dat deze rechters verschillend worden behandeld, tenzij verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is (clausule   4 van de Raamovereenkomst). Het staat ten eerste aan de nationale rechter om te beoordelen of vrederechters en gewone rechters zich in een soortgelijke situatie bevinden. Indien deze rechters zich in een soortgelijke situatie bevinden, dient de nationale rechter te onderzoeken of een verschil in behandeling kan worden gerechtvaardigd vanwege een objectieve reden. Een objectieve reden kan onder meer voortvloeien uit het verschil in de vereiste kwalificaties of het verschil in de aard van de taken van de desbetreffende rechters.