EU-Hof: instandhouding gezin kan automatische toekenning van de vluchtelingenstatus aan een minderjarige rechtvaardigen

Contentverzamelaar

EU-Hof: instandhouding gezin kan automatische toekenning van de vluchtelingenstatus aan een minderjarige rechtvaardigen
Om te waarborgen dat het gezin van een vluchteling in stand wordt gehouden mag een lidstaat diezelfde vluchtelingenstatus automatisch toekennen aan het minderjarige kind van de vluchteling. Bij de toekenning van die vluchtelingenstatus is niet van belang dat de minderjarige zich ook met zijn ouders kan vestigen in het land waarvan de andere ouder de nationaliteit heeft. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Duitse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 9 november 2021 in de zaak C-91/20, LW .

Achtergrond

LW bezit de Tunesische nationaliteit en is in 2017 in Duitsland geboren uit een Tunesische moeder, van wie de asielaanvraag in Duitsland is afgewezen, en een Syrische vader, aan wie in 2015 in Duitsland de vluchtelingenstatus is toegekend. De namens LW ingediende asielaanvraag is in 2017 afgewezen bij beschikking van het Duitse federale bureau voor migratie en vluchtelingen. Het beroep tegen deze beschikking is door de Duitse rechter in eerste aanleg verworpen.

LW heeft vervolgens beroep in cassatie ingesteld bij de hoogste Duitse federale bestuursrechter. Die rechter heeft geoordeeld dat LW geen aanspraak kan maken op toekenning van de vluchtelingenstatus op grond van een eigen recht. Zij kan immers een doeltreffende bescherming genieten in Tunesië, een land waarvan zij de nationaliteit heeft.

LW voldoet echter wel aan de in de Duitse wetgeving gestelde voorwaarden om als minderjarig kind van een als vluchteling erkende persoon de afgeleide vluchtelingenstatus te krijgen. Op grond van die wetgeving moet de vluchtelingenstatus ook worden toegekend aan een kind dat in Duitsland is geboren en via zijn ander ouder (in deze zaak: de moeder) de nationaliteit bezit van een derde land op het grondgebied waarvan het niet wordt vervolgd (in deze zaak: Tunesië). De rechter vraagt aan het EU-Hof of die Duitse wetgeving verenigbaar is met enkele bepalingen van richtlijn 2011/95 (hierna: EU-Kwalificatierichtlijn).

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt dat de EU-Kwalificatierichtlijn niet voorziet in de mogelijkheid om de vluchtelingenstatus op grond van een afgeleid recht uit te breiden tot de gezinsleden van een vluchteling die zelf niet voldoen aan de voorwaarden voor toekenning van die status.

Vervolgens oordeelt het EU-Hof echter dat artikel 3 van de EU-Kwalificatierichtlijn de lidstaten toestaat om gunstiger normen vast te stellen om te bepalen wie als vluchteling wordt erkend. Die gunstiger normen moeten wel verenigbaar zijn met de EU-Kwalificatierichtlijn. Dergelijke gunstiger normen zijn volgens het EU-Hof met name onverenigbaar met de EU-Kwalificatierichtlijn indien de vluchtelingenstatus wordt toegekend aan derdelanders in situaties die geen enkel verband houden met de logica van internationale bescherming.

Het EU-Hof oordeelt dat de toekenning van de vluchtelingenstatus aan het minderjarige kind in deze zaak verband houdt met de logica van internationale bescherming. De toekenning van de vluchtelingenstatus aan het minderjarige kind moet wel achterwege blijven wanneer de minderjarige de nationaliteit van de gastlidstaat (Duitsland) of een andere nationaliteit bezit op grond waarvan het recht heeft op een betere behandeling in de gastlidstaat dan die welke voortvloeit uit de toekenning van een (afgeleide) vluchtelingenstatus.   

Tenslotte oordeelt het EU-Hof dat de toepassing van gunstiger nationale bepalingen – zoals de Duitse wetgeving – niet afhangt van de vraag of het voor LW en haar ouders mogelijk is om zich in Tunesië te vestigen. Tunesië is het land van herkomst van de moeder van LW. Een dergelijke conclusie zou volgens het EU-Hof namelijk tot gevolg hebben dat de vader van LW afstand zou moeten doen van de hem in Duitsland toegekende vluchtelingenstatus, wanneer hij met zijn gezin naar Tunesië zou afreizen.

Meer informatie: