EU-Hof: lidstaat niet verplicht om een verblijfsvergunning te verlenen aan een illegaal verblijvende derdelander die een langdurige of levenslange gevangenisstraf uitzit
Nieuwsbericht | 19-05-2026
Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 13 mei 2026 in de zaak C-877/24, Shamsi.
De zaak gaat over de vraag of Nederland een besluit tot uitzetting van een Azerbeidzjaanse en een Afghaan uit de Unie mocht nemen, terwijl zij nog langdurige gevangenisstraffen moesten uitzitten. Volgens de Europese Terugkeerrichtlijn moet een lidstaat terugkeerbesluiten uitvaardigen tegen vreemdelingen die illegaal in de lidstaat verblijven. Als een lidstaat een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd, dan moet die lidstaat volgens de rechtspraak van het EU-Hof de vreemdeling zo spoedig mogelijk uitzetten als hij niet vrijwillig vertrekt. Het EU-Hof heeft geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn niet in de weg staat aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit tegen illegaal verblijvende derdelanders die een langdurige of levenslange gevangenisstraf uitzitten en daardoor het land niet kunnen verlaten. Wel moet de vreemdeling het terugkeerbesluit van de minister kunnen betwisten en moet de minister bij zijn terugkeerbesluit en bij de uiteindelijke uitzetting rekening houden met onder meer de grondrechten en het evenredigheidsbeginsel. De Terugkeerrichtlijn verplicht de minister niet om een verblijfsvergunning te verlenen aan een illegaal verblijvende derdelander die een langdurige of levenslange gevangenisstraf uitzit.