Contentverzamelaar

EU-Hof: Nederlandse stelsel voor geschillenbeslechting bij aanbestedingen is in orde
De procedure van een kort geding als een snelle manier om onregelmatigheden in een aanbestedingsprocedure te bestrijden kan Europeesrechtelijk door de beugel. Dit geldt zelfs wanneer een rechter in kort geding een foute uitleg heeft gegeven, die later door de gewone rechter als onjuist wordt aangemerkt. Of daardoor schade-aansprakelijkheid van de overheid ontstaat, moet per geval worden beoordeeld. Dat heeft het EU-Hof bepaald naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Rechtbank Assen.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 9 december 2010 in de zaak Combinatie Spijker Infrabouw-De Jonge Konstruktie tegen de provincie Drenthe, zaak C-568/08.

De Provincie Drenthe had besloten tot renovatie van twee ophaalbruggen op de vaarverbinding Erica-Ter Apel in de gemeente Emmen. De opdracht tot renovatie van de ophaalbruggen werd Europees aanbesteed. Het werk werd gegund aan de laagste inschrijver.

Daarop heeft de Combinatie de Provincie gedagvaard in kort geding bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Assen en gevorderd dat de voorzieningenrechter bepaalt dat de laagste inschrijver een ongeldige inschrijving had gedaan, dat de Combinatie voor de laagste prijs had ingeschreven en dat de Provincie, als zij tot gunning overging, de Combinatie het werk gunde. Die vordering wordt afgewezen en de laagste inschrijver krijgt alsnog de opdracht. In een daarop volgende procedure voor de rechtbank Assen vordert Spijker schadevergoeding en blijkt dat de kortgedingrechter een verkeerde uitleg heeft gegeven. De rechtbank Assen stelt het EU-Hof vragen over het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming in aanbestedingszaken.

Het EU-Hof overweegt dat, zoals wordt uiteengezet in de vijfde overweging van de considerans van richtlijn 89/665, de korte duur van de aanbestedingsprocedures een spoedbehandeling van de inbreuken op de bepalingen van het Unierecht noodzakelijk maakt.

Met het oog op deze doelstelling bepaalt artikel 1, lid 1, van richtlijn 89/665 dat de lidstaten voorzien in de invoering van doeltreffend en vooral zo snel mogelijk beroep tegen besluiten die mogelijk het Unierecht inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat recht is omgezet, hebben geschonden.

Meer bepaald verplicht artikel 2, lid 1, sub a, van die richtlijn de lidstaten om te voorzien in de nodige bevoegdheden om „zo snel mogelijk in kort geding voorlopige maatregelen te nemen om de beweerde schending ongedaan te maken of te voorkomen dat de betrokken belangen verder worden geschaad”.

Voorts stelt het Hof vast dat richtlijn 89/665 de lidstaten een discretionaire bevoegdheid laat bij de keuze van de procedurele waarborgen waarin zij voorziet en van de desbetreffende formaliteiten. Het Hof werkt op dat de kenmerken van de Nederlandse kortgedingprocedure inherent zijn aan procedures die gericht zijn op zo spoedig mogelijke vaststelling van voorlopige maatregelen, zodat zij als zodanig stroken met de voorschriften van de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, sub a, van richtlijn 89/665.

Daarbij tekent het Hof aan dat naar zijn aard een voorlopige maatregel de rechtsverhoudingen niet definitief vastlegt. Voorts vloeien de gevolgen van het besluitvormingsproces waarvan die maatregel deel uitmaakt, voort uit de interne rechtsorde van de betrokken staat. Derhalve staat richtlijn 89/665 niet in de weg aan de vaststelling van een dergelijke maatregel.

Bovendien moet richtlijn 89/665 aldus worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staat dat de rechter in kort geding voor de vaststelling van een voorlopige maatregel aan richtlijn 2004/18 een uitlegging geeft die later door de bodemrechter als onjuist wordt aangemerkt.

Wat de aansprakelijkheid van de overheid betreft overweegt het Hof dat het tot nu toe in zijn rechtspraak met betrekking tot beroepen ter zake van het plaatsen van overheidsopdrachten geen gedetailleerdere maatstaven heeft gegeven aan de hand waarvan de schade moet worden vastgesteld en begroot.

Uit dit arrest blijkt nu dat die maatstaven moeten worden bepaald door de interne rechtsorde van elke lidstaat. Volgens vaste rechtspraak mogen de procedureregels voor vorderingen die worden ingediend ter bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, niet ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke nationale vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mogen zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).