EU-Hof: Niet lang(er) langs de snelweg slapen!

Contentverzamelaar

EU-Hof: Niet lang(er) langs de snelweg slapen!
Vrachtwagenchauffeurs mogen hun normale wekelijkse rusttijd niet in hun vrachtwagen doorbrengen. Lidstaten zijn verplicht inbreuken op dit verbod te bestraffen. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van de Belgische Raad van State.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 20 december 2017 in de zaak C-102/16, Vaditrans.

Het is een bekend beeld van overvolle parkeerplaatsen langs de snelwegen waar vooral vrachtwagenchauffeurs hun potje koken tussen hun vrachtwagens. Deze bestuurders brengen hun op grond van Europese regels voorgeschreven rusttijden op deze parkeerplaatsen door.

De Europese regels, in dit geval EU-Verordening 561/2006, over het vervoer over de weg schrijven nauwkeurig voor welke rusttijden de bestuurders in acht moeten nemen. Dergelijke regels zijn er ter bescherming van de werknemers – chauffeurs – in het wegvervoer, maar ook ter bescherming van de (verkeers-)veiligheid op de Europese wegen. De verplicht voorgeschreven rusttijden kunnen worden ingedeeld in dagelijkse rusttijden en wekelijkse rusttijden. Die dagelijkse en wekelijkse rusttijden worden dan weer onderverdeeld in normale rusttijden en verkorte rusttijden. Het gaat  in deze zaak om de wekelijkse rusttijden. Een normale wekelijks rusttijd betreft een periode van rust van 45 uren. Deze periode mag onder voorwaarden worden bekort tot minimaal 24 achtereenvolgende rusturen

. In de verordening is verder bepaald dat de chauffeur er voor mag kiezen om de dagelijkse rusttijden en de verkorte wekelijkse rusttijden in zijn voertuig door de brengen, voor zover dat voertuig in een behoorlijke slaapplek voorziet.

Voor de Belgische Raad van State ligt de vraag voor of deze Europese regels zich verzetten tegen Belgische regelgeving die verbiedt dat de bestuurders ook hun normale wekelijkse rusttijden in hun voertuig doorbrengen. De verwijzende rechter vraagt of de verordening zo moet worden geïnterpreteerd dat de normale wekelijkse rusttijd niet in het voertuig mag worden doorgebracht.

Op grond van een klassieke uitlegging aan de hand van de tekst van de betrokken bepaling, de context ervan alsmede de doeleinden van die bepaling komt het EU-Hof tot de conclusie dat dat inderdaad het geval is. Ook de ontstaansgeschiedenis van de betrokken bepaling bevestigt deze lezing.

De verordening voorziet niet expliciet in een verbod op het doorbrengen van de normale wekelijkse rusttijd in de vrachtwagencabine. Daarom vraagt de Belgische rechter naar de verhouding van een dergelijke verbod met het legaliteitsbeginsel. Een dergelijke verbod zou immers zijn gebaseerd op een a-contrario-uitlegging.

Het EU-Hof antwoordt hierop dat het legaliteitsbeginsel vereist dat de Unieregelgeving een duidelijke omschrijving biedt van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. De justitiabele moet – al dan niet na verduidelijking ervan in de rechtspraak - uit de bepaling kunnen opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk kan worden vervolgd. Het EU-Hof stelt vast dat het verbod als zodanig uit de verordening volgt. Dit verbod bevat evenwel niet zelf een sanctie maar verwijst daarvoor naar de lidstaten. Deze zijn verplicht om te voorzien in sancties voor inbreuken op de verordening. De lidstaten hebben daarbij binnen de grenzen die daaraan in rechtspraak van het EU-Hof zijn gesteld een zekere beoordelingsmarge ter zake van de aard van de toepasselijke sancties. Het EU-Hof ziet dan ook geen reden om de geldigheid van Verordening 561/2006 in het licht van het legaliteitsbeginsel te betwijfelen.