EU-Hof oordeelt over het behoren tot ‘een bepaalde sociale groep’ als grond van vervolging die tot de verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden

Contentverzamelaar

EU-Hof oordeelt over het behoren tot ‘een bepaalde sociale groep’ als grond van vervolging die tot de verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden

Naargelang van de omstandigheden in het land van herkomst, kunnen zowel vrouwen uit dat land in hun geheel als meer beperkte groepen van vrouwen die een bijkomende gemeenschappelijke eigenschap delen, worden geacht te behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’. Het behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’ kan op grond van de EU-Kwalificatierichtlijn een grond van vervolging vormen die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Bulgaarse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 16 januari 2024 in de zaak C-621/21, Intervyuirasht organ na DAB pri MS.

Achtergrond

In deze zaak twijfelt de Bulgaarse verwijzende rechter over de vraag of, en in voorkomend geval, welke soort internationale bescherming kan worden verleend aan een Turkse onderdaan van Koerdische afkomst, gelet op de aard van de gewelddaden waaraan zij kan worden blootgesteld indien zij terugkeert naar haar land van herkomst. Deze daden zouden kunnen bestaan in huiselijk geweld, of zelfs eergerelateerd geweld of een gedwongen huwelijk. Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met de omstandigheden waarin dergelijke daden worden gepleegd, namelijk door niet-overheidsactoren.

De Bulgaarse verwijzende rechter heeft daarom prejudiciële vragen aan het EU-Hof gesteld. In de eerste plaats moet het EU-Hof bepalen onder welke voorwaarden een derdelander die het slachtoffer dreigt te worden van eergerelateerd geweld of een gedwongen huwelijk en het risico loopt te worden blootgesteld aan huiselijk geweld wanneer zij naar haar land van herkomst terugkeert, kan worden geacht een gegronde vrees voor vervolging te hebben omdat zij tot een ‘bepaalde sociale groep’ behoort, en de vluchtelingenstatus kan verkrijgen (artikel 10, lid 1, onder d, EU-Kwalificatierichtlijn).

In de tweede plaats moet het EU-Hof verduidelijken onder welke voorwaarden de bevoegde nationale autoriteit in een geval waarin het geweld wordt gepleegd door een niet-overheidsactor moet aantonen dat er sprake is van een oorzakelijk verband tussen de reden voor vervolging, namelijk het behoren tot een bepaalde sociale groep, en het ontbreken van bescherming in het land van herkomst (artikel 9, lid 3, van de EU-Kwalificatierichtlijn).

In de derde en laatste plaats moet het EU-Hof onderzoeken in hoeverre de subsidiaire beschermingsstatus aan een dergelijke persoon kan worden toegekend. In dit verband zal het moeten bepalen onder welke voorwaarden de hierboven beschreven gewelddaden kunnen worden aangemerkt als ‘ernstige schade’ in de zin van artikel 15 van de EU-Kwalificatierichtlijn, hetzij omdat zij een ernstige bedreiging van het leven van die persoon vormen, hetzij omdat zij een onmenselijke of vernederende behandeling vormen.

EU-Hof

Het behoren tot een bepaalde sociale groep

Het EU-Hof brengt in herinnering dat een groep als ‘een bepaalde sociale groep’ in de zin van artikel 10, lid 1, onder d, van de EU-Kwalificatierichtlijn wordt beschouwd wanneer aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten de leden van de betrokkene groep minstens één van de drie volgende identificatiekenmerken delen, te weten een ‘aangeboren kenmerk’, een ‘gemeenschappelijke achtergrond […] die niet gewijzigd kan worden’ of een ‘kenmerk of geloof [...] dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven’. Ten tweede moet die groep in het land van oorsprong een ‘eigen identiteit’ hebben, ‘omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd’.

Volgens het EU-Hof is in deze zaak aan beide voorwaarden voldaan. Met betrekking tot de eerste voorwaarde oordeelt het EU-Hof dat het feit dat iemand een vrouw is, een ‘aangeboren kenmerk’ is. Dit sluit echter niet uit dat vrouwen die een bijkomend gemeenschappelijk kenmerk delen (bv. een gemeenschappelijke achtergrond) tot een ‘bepaalde sociale groep’ kunnen behoren. Het feit dat vrouwen zich hebben onttrokken aan een gedwongen huwelijk of dat gehuwde vrouwen hun huishoudens hebben verlaten, kan volgens het EU-Hof worden aangemerkt als een ‘gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden’. Aan de tweede voorwaarde wordt volgens het EU-Hof voldaan door vrouwen die een extra gemeenschappelijk kenmerk delen, zoals de in de vorige zin bedoelde kenmerken, wanneer de sociale, morele of juridische normen die in hun land van herkomst gelden tot gevolg hebben dat deze vrouwen wegens dat gemeenschappelijke kenmerk door de directe omgeving als afwijkend worden beschouwd.

Het EU-Hof oordeelt dat, naargelang van de omstandigheden in het land van herkomst, zowel vrouwen uit dat land in hun geheel als meer beperkte groepen van vrouwen die een bijkomende gemeenschappelijke eigenschap delen, kunnen worden geacht te behoren tot ‘een bepaalde sociale groep’, wat een ‘grond van vervolging’ kan vormen die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden.

Niet-overheidsactor

Het EU-Hof oordeelt dat niet hoeft te worden aangetoond dat er een verband bestaat tussen een ‘grond van vervolging’ (zoals het behoren tot een bepaalde sociale groep) en de betreffende daden van vervolging wanneer de verzoeker stelt te vrezen voor vervolging in zijn land van herkomst door niet-overheidsactoren. Er moet wel een verband kunnen worden vastgesteld tussen één van die gronden van vervolging en het ontbreken van bescherming tegen die daden door de in artikel 7, lid 1, van de EU-Kwalificatierichtlijn bedoelde actoren van bescherming (bijvoorbeeld de staat of bepaalde internationale organisaties).

Ernstige schade

Het EU-Hof oordeelt tenslotte dat het begrip ‘ernstige schade’ in de zin van artikel 15 van de EU-Kwalificatierichtlijn zich uitstrekt tot de daadwerkelijke dreiging dat een familielid of de gemeenschap van een verzoeker hem zal doden of hem geweld zal aandoen wegens de vermeende schending van culturele, religieuze of traditionele normen. In een dergelijke situatie kan de subsidiaire beschermingsstatus aan de betrokken verzoeker worden toegekend. 

Meer informatie: