EU-Hof: Unierecht verzet zich niet tegen sancties die het vrij verkeer en verblijf van Unieburgers beperken
Nieuwsbericht | 20-08-2026
Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 16 juli 2026 in de zaak C-399/25 P, Timchenko tegen Raad.
Op grond van artikel 21, lid 1, van het EU-Werkingsverdrag wordt het recht van Unieburgers om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven uitgeoefend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de EU-Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld, waaronder de op grond van artikel 29 van het EU-Verdrag vastgestelde besluiten op het gebied van het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB). De ruime bewoordingen van dit laatste artikel kennen de Raad de bevoegdheid toe om, met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB, beperkende maatregelen (sancties) vast te stellen ter beperking van de vrijheid van verkeer en verblijf van Unieburgers buiten de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, ongeacht de ter zake geldende bepalingen van de Burgerschapsrichtlijn (richtlijn 2004/38). Het EU-Hof bevestigt hiermee het oordeel van het EU-Gerecht.