EU-Hof: Verblijfsrecht voor echtgenoot van eigen onderdaan van gelijk geslacht

Contentverzamelaar

EU-Hof: Verblijfsrecht voor echtgenoot van eigen onderdaan van gelijk geslacht
Een EU-land dat het huwelijk niet heeft opengesteld voor personen van gelijk geslacht, mag een permanent verblijfsrecht niet weigeren aan de derdelander-echtgenoot van hetzelfde geslacht van een eigen onderdaan. Voorwaarde is dat de eigen onderdaan in een ander EU-land van zijn recht op vrij verkeer gebruik heeft gemaakt en een familieleven heeft opgebouwd. Dit heeft de Grote Kamer van het EU-Hof geantwoord op vragen van een Roemeense rechter.

Het gaat om het arrest van de Grote Kamer van het EU-Hof van 5 juni 2018 in  de zaak C--673/16.

Het Roemeens grondwettelijk hof heeft het EU-Hof vragen gesteld naar aanleiding van de weigerig door de Roemeense autoriteiten van een verblijfsrecht aan de Amerikaanse echtgenoot van een Roemeen. Zij zijn in 2010 in België getrouwd. Bij terugkeer in Roemenië in december 2012 verzoekt de Roemeen de Roemeense autoriteiten om officiële erkenning van zijn partner om als echtgenoot van een Unieburger in Roemenië te werken en te verblijven. De Roemeense autoriteiten hebben dit geweigerd omdat Roemenië het homohuwelijk niet erkent. In de beroepsprocedure tegen deze beslissing vraagt het Roemeens grondwettelijk hof het EU-Hof of aan de echtgenoot van hetzelfde geslacht, afkomstig uit een derde land, van een Unieburger die zijn vrijheid van verkeer heeft uitgeoefend in de lidstaat waar hij met deze echtgenoot in het huwelijk is getreden en een gezinsleven ontwikkeld, en terugkeert naar zijn land van herkomst een permanent verblijfsrecht in Roemenië moet worden toegekend.

Het EU-Hof stelt voorop dat een derdelander die familielid is van een EU-burger geen afgeleid verblijfsrecht in de lidstaat van herkomst van die EU burger heeft op grond van de richtlijn vrij verkeer (2004/38). Dit kan hij echter in bepaalde gevallen wel ontlenen aan artikel 21, lid 1 VWEU. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de Unieburger in een andere lidstaat dan zijn lidstaat van herkomst een familieleven heeft opgebouwd of bestendigd en dit wil voortzetten bij terugkeer naar zijn lidstaat van herkomst. In dat geval mogen de voorwaarden voor toekenning van dit afgeleide verblijfsrecht niet strenger zijn dan die van de richtlijn vrij verkeer voor de toekenning van een dergelijk recht. Verder benadrukt het EU-Hof daarbij dat de vragen van de verwijzende rechter uitgaan van de vooronderstelling dat de Roemeen tijdens zijn verblijf in België voldeed aan de voorwaarden van de richtlijn vrij verkeer en daar sindsdien een gezinsleven met zijn echtgenoot heeft gevormd of bestendigd.

Het Hof legt uit dat het begrip ‘echtgenoot’ in het kader van de richtlijn vrij verkeer geslachtsneutraal is. Hoewel de richtlijn bepaalt dat de ontvangende lidstaat een geregistreerd partner slechts hoeft te erkennen en toe te laten als gezinslid voor zover de wetgeving van het gastland geregistreerd partnerschap gelijk stelt met het huwelijk en aan de voorwaarden van de wetgeving van het gastland is voldaan, geldt dit niet voor een ‘echtgenoot’. De ontvangende lidstaat kan dus niet het gegeven dat hij het huwelijk van gelijk geslacht niet kent, tegenwerpen aan de erkenning van het huwelijk gesloten in een lidstaat van een derdelander echtgenoot van hetzelfde geslacht met een Unieburger enkel met het oog op het verblijfsrecht van die echtgenoot.

Het EU-Hof benadrukt dat de bevoegdheid van de lidstaten voor het regelen van de burgerlijke staat en dus het huwelijk, niet wordt aangetast. Tegelijkertijd moeten zij daarbij wel de rechten van vrij verkeer van Unieburgers  te respecteren. Het toestaan dan wel weigeren van het verblijf van een derdelander die is gehuwd met een EU burger in een andere lidstaat door dit te laten afhangen van het al dan niet openstellen van het huwelijk voor partners van gelijk geslacht, zou het recht van vrij verkeer laten variëren al naar gelang dit recht van de lidstaten. Een weigering zou in dat geval ook de Unieburger zijn rechten van vrij verkeer belemmeren en betekenen dat hem de mogelijkheid wordt ontnomen naar zijn lidstaat van herkomst terug te keren.

Lidstaten kunnen de rechten van vrij verkeer slechts beperken op grond van objectieve overwegingen van algemeen belang die evenredig zijn aan het door het nationale recht rechtmatig nagestreefde doel. Een beroep op de openbare orde is slechts mogelijk in geval van een reële en voldoende ernstige dreiging van een fundamenteel belang. In dit verband oordeelt het Hof dat de erkenning door een lidstaat van het huwelijk tussen personen van gelijk geslacht met het enkele doel om een afgeleid verblijfsrecht van een echtgenoot  van een EU-burger van gelijk geslacht toe te kennen,  de nationale identiteit van lidstaten niet miskent en ook niet de openbare orde bedreigt.

Een nationale maatregel die de uitoefening van het vrije verkeer van personen kan belemmeren, moet daarnaast in overeenstemming zijn met het EU-Handvest van de grondrechten. Met betrekking tot artikel 7 van het EU- Handvest, dat de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven garandeert, wijst het Hof erop dat ook het EHRM de relatie van een homoseksueel paar onder de begrippen ‘privéleven’ en ‘familie- en gezinsleven’ vat.