EU-Hof verduidelijkt samenloop Kaderbesluiten bij terugzendgarantie en facultatieve weigeringsgrond

Contentverzamelaar

EU-Hof verduidelijkt samenloop Kaderbesluiten bij terugzendgarantie en facultatieve weigeringsgrond

In deze zaak ligt onder andere de vraag voor of artikel 9, lid 1, onder d van Kaderbesluit 2008/909, dat in het kaderbesluit een ‘facultatieve weigeringsgrond’ is, door de lidstaten bij de implementatie van het kaderbesluit mag worden omgezet als een verplichting om erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis te weigeren. Het Hof oordeelt dat dat niet mag. De bevoegde autoriteit die een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging behandelt, moet in elk individueel geval de afweging kunnen maken of weigering passend is.

Het betreft het arrest van het EU-Hof van 15 januari 2026 in de zaak C-641/23, Dubers.

Achtergrond

Een Poolse rechter vraagt om overlevering van een Pools onderdaan die al lang in Nederland verblijft en nauwe banden heeft met Nederland. Het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging wegens het niet nakomen van de verplichting tot het betalen van alimentatie voor zijn minderjarige zoon. Naar Nederlands recht vormt dit geen strafbaar feit. In zo’n geval kan de rechter de overlevering weigeren, maar hij kan die ook toestaan. De Nederlandse rechter wil de betrokkene in dit geval wel overleveren, maar dan, vanwege zijn nauwe banden met Nederland, onder terugzendingsgarantie. Zodat de betrokkene later zijn eventuele straf in Nederland kan ondergaan. Als uitwerking van kaderbesluit 2008/909 over de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen, staat echter in de Nederlandse wet dat erkenning en tenuitvoerlegging geweigerd moet worden indien het delict in Nederland niet strafbaar is. 

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt in het arrest over twee punten. Het eerste is de vraag of artikel 9, lid 1, onder d, van Kaderbesluit 2008/909, dat in het kaderbesluit een ‘facultatieve weigeringsgrond’ is, door de lidstaten bij de implementatie van het kaderbesluit mag worden omgezet als een verplichting om erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis te weigeren. Het EU-Hof oordeelt dat dat niet mag. De bevoegde autoriteit die een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging behandelt, moet in elk individueel geval de afweging kunnen maken of weigering passend is.

Het tweede punt gaat over welke beoordelingsmarge die bevoegde autoriteit nog heeft bij de toepassing van deze weigeringsgrond op een individueel geval wanneer gebruik is gemaakt van artikel 5, punt 3, van Kaderbesluit 2002/584. Die bepaling regelt de overlevering van de betrokkene met een terugzendingsgarantie. Dat wil zeggen, de betrokkene wordt voor berechting overgeleverd, maar komt – ter bevordering van zijn reclassering –  voor het ondergaan van de straf terug naar de uitvoerende lidstaat, die zich heeft verbonden de straf ook daadwerkelijk ten uitvoer te leggen. Hierover oordeelt het EU-Hof dat de bevoegde autoriteit de erkenning en tenuitvoerlegging van een vonnis alleen nog mag weigeren wanneer er sprake is van een wijziging van de juridische of feitelijke situatie van de betrokkene. Dan gaat het er om dat zijn banden met de lidstaat zijn gewijzigd en het belang om de vrijheidsstraf daar te ondergaan, niet langer de doorslag geeft.