Contentverzamelaar

EU-Hof verwerpt beroep Commissie tegen delegatie in visumverordening.
De Uniewetgever kan de Commissie alleen door delegatie een bevoegdheid toekennen om de normatieve inhoud van een wetgevingshandeling te wijzigen. Om te bepalen of een door de Commissie vast te stellen handeling onder delegatie of onder uitvoering valt is niet van belang of en in welke omvang de Commissie een beoordelingsbevoegdheid wordt verleend. Dat heeft het EU-Hof bepaald in een procedure van de Commissie tegen het Europees Parlement en de Raad.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 16 juli 2015 in de zaak C-88/14, Commissie tegen Europees Parlement en Raad.

In deze zaak heeft de Commissie het Hof verzocht om nietigverklaring van een bepaling in Verordening (EG) nr. 1289/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot wijziging van verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (hierna: de Visumverordening). Deze bepaling verleent de Commissie de bevoegdheid om op grond van artikel 290 van het EU-Werkingsverdrag een gedelegeerde handeling vast te stellen met betrekking tot de tijdelijke opschorting van de vrijstelling van de visumplicht voor onderdanen van een derde land.

De Commissie is van mening dat de Raad en het Europees Parlement hadden moeten kiezen voor uitvoering als bedoeld in artikel 291 EU-Werkingsverdrag in plaats van delegatie. Hiertoe stelt de Commissie, onder andere, dat de bestreden bepaling een louter technisch instrument is, omdat het de invoeging van een voetnoot in een bijlage bij de Visumverordening betreft. Aangezien deze handeling slechts een zeer geringe of geen beoordelingsmarge verleent aan de Commissie, is zij van mening dat de Uniewetgever had moeten kiezen voor uitvoering.

Het Hof stelt de Commissie echter in het ongelijk.

In het arrest verwijst het Hof naar zijn eerdere uitspraak in het arrest Commissie/Parlement en Raad C-427/12 (hierna: biociden-arrest). In die zaak heeft het Hof bepaald dat de Uniewetgever over een beoordelingsbevoegdheid beschikt wanneer hij beslist om de Commissie een gedelegeerde bevoegdheid op grond van artikel 290, lid 1, VWEU dan wel een uitvoeringsbevoegdheid op grond van artikel 291, lid 2, VWEU te verlenen. Die bevoegdheid moet echter wel worden uitgeoefend met inachtneming van de in de artikelen 290 VWEU en 291 VWEU gestelde voorwaarden.

In dit verband wijst het Hof tevens op het in het Biociden-arrest gemaakt onderscheid tussen delegatie en uitvoering (lees meer hierover in het eerdere ECER-bericht over het Biociden-arrest).
In tegenstelling tot het betoog van de Commissie en het advies van advocaat-generaal Mengozzi, stelt het Hof dat noch het feit dat bij de wetgevingshandeling aan de Commissie een beoordelingsbevoegdheid is verleend noch de omvang daarvan van belang is om te bepalen of de door de Commissie vast te stellen handeling onder artikel 290 VWEU of artikel 291 VWEU valt. Uit de bewoordingen van artikel 290, lid 1, VWEU blijkt namelijk dat voor de rechtmatigheid van de keuze van de Uniewetgever om aan de Commissie een gedelegeerde bevoegdheid toe te kennen, alleen is vereist dat de door die instelling op grond van die bevoegdheid vast te stellen handelingen van algemene strekking zijn en zij niet-essentiĆ«le onderdelen van de wetgevingshandeling aanvullen of wijzigen.

De door de Commissie bestreden bepaling geeft de Commissie de bevoegdheid om de bijlage in de Visumverordening, die de lijst met derde landen bevat die zijn vrijgesteld van de visumplicht, te wijzigen. Deze wijziging bestaat uit het vaststellen van een gedelegeerde handeling, waarmee een voetnoot wordt opgenomen naast de naam van het betrokken derde land in de bijlage, waaruit blijkt dat de vrijstelling van de visumplicht wordt opgeschort met betrekking tot dat derde land en waarin de termijn van die opschorting wordt vermeld.

Volgens het Hof getuigt deze invoeging van een voetnoot, van de wil de Unie wetgever om de vastgestelde handeling op te nemen in het corpus zelf van de Visumverordening. In die omstandigheden heeft de Uniewetgever de Commissie de bevoegdheid verleend om de normatieve inhoud van die wetgevingshandeling te wijzigen in de zin van art. 290, lid 1 EU-Werkingsverdrag, aldus het Hof.

Aan die conclusie wordt volgens het Hof niet afgedaan door eventuele moeilijkheden die voortvloeien uit het feit dat een in de bijlage bij de Visumverordening ingevoegde voetnoot naderhand moet worden aangepast of uit de eigenschappen van een dergelijke bevoegdheidsdelegatie, zoals de beperkte duur ervan, de mogelijke herziening ervan en de bevoegdheid van het Parlement en de Raad om bezwaar te maken.

Het Hof is dan ook van oordeel dat de Uniewetgever in dit geval binnen de grenzen is gebleven van zijn beoordelingsbevoegdheid door aan de Commissie de bevoegdheid te hebben toegekend om de normatieve inhoud van de verordening te wijzigen.