Contentverzamelaar

EU-Hof: Griekse weigering om monnik met advocatentitel uit Cyprus in te schrijven is in strijd met het Unierecht
De Griekse wet die het monniken verbiedt het beroep van advocaat uit te oefenen, wanneer die de beroepstitel hebben behaald in een andere lidstaat, is in strijd met het EU-recht. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Griekse rechter.

Dat heeft het EU-Hof bepaald in zijn arrest van 7 mei 2019 in zaak C-431/17 Monachos Eirinaios v Dikigorikos Syllogos Athinon.

 

Monachos Eirinaios (monnik Irenaeus) is een monnik bij de Heilige Kloosterorde van Petra in Griekenland. Hij had de Griekse balie gevraagd om hem in te schrijven bij de balie van Athene als een advocaat die de status van advocaat heeft verkregen in een andere lidstaat, namelijk in Cyprus. De balie van Athene heeft dit verzoek afgewezen op grond van een nationale wet die bepaalt dat een monnik niet het beroep van advocaat mag uitoefenen. De balie was van mening dat deze wet ook van toepassing is op advocaten die in Griekenland hun beroep willen uitoefenen op basis van hun buitenlandse titel, dat wil zeggen, als Cypriotische advocaat in Griekenland. Monnik Irenaeus is tegen dit besluit in beroep gegaan bij de Griekse Raad van State. Deze rechter vraagt het EU-Hof of het Griekse verbod in kwestie verenigbaar is met EU-recht.

 

Het gaat in dit geval om de uitleg van Richtlijn 98/5. Het doel van deze richtlijn is het faciliteren van de uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan de lidstaat waar deze beroepskwalificatie is behaald. Het EU-Hof merkt op dat de richtlijn een mechanisme instelt voor de wederzijdse erkenning van de professionele titels van advocaten die hun beroep willen uitoefenen in een andere lidstaat. Er is door deze richtlijn sprake van volledige harmonisatie van de voorwaarden van de vrijheid van vestiging.

 

Het EU-Hof heeft al eerder bevestigd dat voor de registratie als advocaat in een andere lidstaat de enige voorwaarde is dat een certificaat dat bewijst dat die persoon ingeschreven staat bij de bevoegde autoriteit van de thuislidstaat wordt overgelegd. De nationale wetgever mag dan ook geen andere eisen stellen voor de inschrijving bij de bevoegde autoriteit in de gastlidstaat. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen, enerzijds, inschrijving bij de bevoegde autoriteit in het gastland, wat enkel onderworpen is aan die ene voorwaarde, en anderzijds, het uitoefenen van het beroep van advocaat in de gastlidstaat, waarbij de advocaat wel gebonden is aan de professionele gedragsregels van die lidstaat.

 

Het EU-Hof is van mening dat de professionele gedragsregels, anders dan de inschrijvingsvereisten, niet geharmoniseerd zijn en dus aanzienlijk kunnen verschillen tussen de gastlidstaat en de thuislidstaat. Hierover zegt het EU-Hof dat het toegestaan is voor de nationale wetgever om hierover bepaalde vereisten voor te schrijven, zolang die niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om dit doel te verwezenlijken. Het EU-Hof merkt daarbij wel op dat professionele gedragsregels die van toepassing zijn in de gastlidstaat alleen in overeenstemming zijn met het EU-recht als ze voldoen aan in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. Het is voor de nationale rechter om te bepalen of de nationale maatregel in kwestie hieraan voldoet. De nationale wetgeving die het een monnik, die als advocaat ingeschreven staat bij de bevoegde autoriteiten in zijn thuislidstaat, verbiedt om zich in te schrijven bij de bevoegde autoriteiten in een andere lidstaat om daarmee zijn beroep uit te oefenen op de titel verkregen in de thuislidstaat, is echter in strijd met de richtlijn, aldus het EU-Hof.