Contentverzamelaar

Europese Raad: Hervormingen EU als Verenigd Koninkrijk in EU blijft
Tijdens de Europese Raad is overeenstemming bereikt over een pakket voorstellen als reactie op de Britse wensen voor EU-hervorming. De afspraken zullen pas ingaan zodra het Verenigd Koninkrijk heeft besloten lid van de Europese Unie te blijven. Dat schrijft het kabinet in het verslag van de Europese Raad.

Relevante documenten

Overzicht hervormingen

De Europese Raad (ER) bereikte overeenstemming over het pakket voorstellen van Voorzitter Tusk ten aanzien van de Britse wensen tot hervorming van de EU. De afspraken zijn vastgelegd in de onderstaande documenten, die als bijlage bij de ER-conclusies zijn gevoegd:
- Een Besluit van de Staatshoofden en Regeringsleiders in het kader van de Europese Raad bijeen over een nieuwe regeling voor het Verenigd Koninkrijk binnen de Europese Unie.
- Een Verklaring van de Staatshoofden en Regeringsleiders over deel A van het Besluit (economisch bestuur).
- Een Verklaring van de Europese Raad inzake concurrentiekracht.
- Een Verklaring van de Europese Commissie inzake een subsidiariteits-uitvoeringsmechanisme en een uitvoeringsmechanisme om de regeldruk te verminderen.
- Een Verklaring van de Europese Commissie inzake indexering van kinderbijslag.
- Een Verklaring van de Europese Commissie inzake misbruik van het recht op vrij verkeer van personen.
- Een Verklaring van de Europese Commissie inzake een vrijwaringsmechanisme waaraan gerefereerd in punt 2b, deel D van het Besluit van de Staatshoofden en Regeringsleiders.

Het kabinet is verheugd dat de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk tot een resultaat zijn gebracht. Zoals aangegeven in de geannoteerde agenda acht het kabinet het in het belang van Nederland, de EU en het Verenigd Koninkrijk zelf dat het land lid blijft van de EU. Het nu bereikte resultaat sluit aan bij de inzet van het kabinet zoals verwoord in de geannoteerde agenda: Interne Markt, competitiviteit, reduceren regeldruk, subsidiariteit en de rol van nationale parlementen. De afspraken zullen ingaan zodra het Verenigd Koninkrijk de secretaris-generaal van de Raad ervan in kennis stelt dat het Verenigd Koninkrijk heeft besloten lid van de Europese Unie te blijven. Op dat moment pas zal het Besluit van de Staatshoofden en Regeringsleiders van kracht worden en zal de Europese Commissie een aantal voorstellen indienen tot wijziging van bestaande afgeleide EU-wetgeving. Wanneer in de toekomst sprake zal zijn van een Verdragswijziging zal de essentiële inhoud van een deel van het Besluit van de Staatshoofden en Regeringsleiders bij die gelegenheid in de Verdragen worden verwerkt. Hieronder wordt per thema ingegaan op de gemaakte afspraken.

Economisch bestuur

De afspraken omtrent economisch bestuur bevestigen een aantal bestaande principes, zoals het verbod op discriminatie binnen de EU op basis van de officiële munteenheid van de lidstaat. Daarnaast is bevestigd dat Unierecht betreffende de bankenunie alleen van toepassing is op kredietinstellingen in de lidstaten die de euro als munt hebben, of die een overeenkomst met de Europese Centrale Bank hebben gesloten over samenwerking op het gebied van toezicht. Het zogenaamde Single Rule Book moet door alle kredietinstellingen en financiële instellingen worden toegepast om een gelijk speelveld en de integriteit van de interne markt te waarborgen. Spoed- en crisismaatregelen gericht op de financiële stabiliteit in de eurozone mogen geen budgettaire aansprakelijkheid meebrengen voor lidstaten buiten de Eurozone of bankenunie. Autoriteiten van lidstaten die de euro niet als munt hebben, besluiten zelf over de uitvoering van maatregelen en bevoegdheden ter behoud van de financiële stabiliteit in het betreffende land tenzij die lidstaten wensen toe te treden tot de gemeenschappelijke mechanismen. Bij de vergaderingen van de Eurogroep worden de bevoegdheden van de Raad, als instelling waaraan de Verdragen wetgevingstaken verlenen en waarbinnen de lidstaten hun economisch beleid coördineren, geëerbiedigd. Het gaat hierbij om vastleggen van de bestaande praktijk. Eurolanden zullen in de Eurogroep blijven spreken over aangelegenheden die verband houden met hun gedeelde verantwoordelijkheden met betrekking tot de euro. Afgesproken is dat de kern van deze afspraken bij de eerstkomende Verdragswijziging in de Verdragen worden verwerkt. Om de handhaving van deze beginselen te waarborgen bij wetgevingshandelingen die zien op effectief beheer van de bankenunie en van de gevolgen van de verdere integratie van de eurozone is een escalatiemechanisme ingesteld. Indien een lid van de Raad dat niet deelneemt aan de bankenunie van mening is dat de hierboven geformuleerde beginselen niet in acht zijn genomen, zal de Raad het onderwerp bespreken en tot een bevredigende oplossing proberen te komen. De voorzitter van de Raad neemt daarbij de benodigde initiatieven, hetgeen ook een verzoek kan betekenen om het onderwerp op het niveau van de Europese Raad te bespreken. Deze afspraak kan echter niet leiden tot een situatie waarin een lidstaat een veto kan stellen tegen het effectieve beheer van de bankenunie of de verdere integratie van de eurozone. Het voorleggen van een aangelegenheid aan de Europese Raad laat het normale functioneren van de wetgevingsprocedure van de Unie onverlet. Het kabinet is van mening dat met deze afspraken de zorgen van niet-leden van de Eurozone worden geadresseerd, zonder dat de ruimte voor verdere ontwikkeling van de eurozone en het gelijke speelveld voor toezicht in de financiële sector worden ondermijnd. Dit is conform de Nederlandse inzet. De geformuleerde beginselen zijn vooral een vastlegging van de bestaande praktijk.

EU-concurrentievermogen

Om het concurrentievermogen van de EU te vergroten, is afgesproken alles in het werk te stellen om de interne markt te vervolmaken, te versterken en een ambitieuze handelspolitiek na te streven. Tegelijkertijd zullen de betrokken instellingen van de Unie en de lidstaten concrete stappen zetten om betere regelgeving tot stand te brengen. Het gaat om het verlagen van administratieve lasten en nalevingskosten voor marktdeelnemers marktdeelnemers onder andere via reductiedoelstellingen op Europees en nationaal niveau, met name voor kleine en middelgrote ondernemingen, en het intrekken van overbodige wetgeving. Hiertoe heeft de Commissie voornoemde verklaring opgesteld over een uitvoeringsmechanisme inzake subsidiariteit en een uitvoeringsmechanisme inzake lastenverlichting, waarbij normen inzake de bescherming van consument, werknemer, gezondheid en milieu worden gerespecteerd. Het door de Europese Commissie in te stellen subsidiariteitsmechanisme moet beoordelen of het geheel van bestaande EU-wetgeving strookt met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid. Het zal voortbouwen op bestaande procedures, met het oog op de onverkorte toepassing van deze beginselen. De Commissie stelt prioriteiten voor deze beoordeling vast, rekening houdend met de standpunten van het Europees Parlement, de Raad en de nationale parlementen. Uiterlijk eind 2016 zal de Commissie een werkprogramma voorstellen en vervolgens jaarlijks verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad. Deze afspraken sluiten nauw aan bij de Nederlandse voorzitterschapsprioriteiten en het kabinet is verheugd dat deze een prominente plaats hebben gekregen in het pakket.

Soevereiniteit

Met betrekking tot de term ‘ever closer union’ uit het Verdrag is in het Besluit vastgelegd dat deze geen rechtsgrondslag vormt voor een verruiming van enige bepaling van de Verdragen of van afgeleide EU-wetgeving. Voor het Verenigd Koninkrijk is tevens erkend dat het gezien zijn specifieke situatie uit hoofde van de Verdragen niet gecommitteerd is aan nadere politieke integratie in de Europese Unie. Dit zal bij een eerstvolgende wijziging in het Verdrag worden verwerkt. Daarnaast legt het Besluit vast dat de positie van nationale parlementen in de Europese besluitvorming wordt verstevigd. Indien binnen de 12 weken na toezending van een ontwerpwetgevingshandeling van de Unie door een nationaal parlement gemotiveerde adviezen worden ingediend waarin wordt gesteld dat het ontwerp in kwestie niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel, plaatst het voorzitterschap van de Raad deze aangelegenheid op de agenda van de Raad met het oog op een uitvoerige bespreking van bedoelde adviezen en van het daaraan te geven gevolg als deze adviezen meer dan 55% vertegenwoordigen van de stemmen die aan de nationale parlementen zijn toegedeeld. De Raad staakt dan behandeling van het voorstel, tenzij het ontwerp wordt gewijzigd om tegemoet te komen aan de punten van zorg die in de gemotiveerde adviezen zijn geformuleerd. Het Besluit vermeldt ook dat de rechten en verplichtingen van de lidstaten die in protocollen bij de Verdragen zijn opgenomen, volledig moeten worden erkend en geen geringer status mogen krijgen dan de overige bepalingen van de Verdragen. Daarnaast is bevestigd dat, conform het Unierecht, de nationale veiligheid uitsluitend de verantwoordelijkheid van elke lidstaat blijft. Wanneer de instellingen van de Unie hun bevoegdheden op dit punt uitoefenen, zullen zij de verantwoordelijkheid van de lidstaten op het gebied van nationale veiligheid ten volle eerbiedigen. In het licht van de Britse zorgen op dit punt verwelkomt het kabinet de verduidelijking van de term ‘ever closer union’ in het besluit. Het kabinet is steeds van mening geweest dat deze term geen verplichting tot nadere politieke integratie impliceert. Het besluit om de rol van nationale parlementen te versterken sluit aan bij de NL inzet om de legitimiteit van de Europese besluitvorming langs deze weg te versterken. Dit geldt ook voor de introductie van het subsidiariteitsmechanisme, dat in het verlengde kan worden gezien van de Nederlandse inspanningen om tot meer focus in de Europese agenda te komen.

Sociale uitkeringen en vrij verkeer

Het Besluit erkent dat verschillen in sociale zekerheidsstelsels tot migratiestromen binnen de Unie kunnen leiden die niet het natuurlijk gevolg zijn van een goed functionerende arbeidsmarkt. Het Besluit stelt dat het in dat kader legitiem is om op nationaal en op Unieniveau maatregelen te nemen die negatieve effecten daarvan beperken. De Commissie zal zodra het Besluit van de Staatshoofden en Regeringsleiders in het kader van de Europese Raad bijeen van kracht is geworden daarvoor een voorstel indienen tot wijziging van Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie. Die wijziging zal voorzien in een waarschuwings- en vrijwaringsmechanisme met het oog op situaties waarin de instroom van werknemers uit andere lidstaten gedurende een lange periode uitzonderlijk groot is (ook wanneer deze instroom het gevolg is van vroeger beleid naar aanleiding van eerdere uitbreidingen van de Unie), ten einde rekening te houden met aanzuigende werking die het gevolg is van het stelsel van arbeidsgebonden voordelen van een bepaalde lidstaat. Een lidstaat die van dit mechanisme gebruik wenst te maken informeert de Commissie en de Raad dat deze uitzonderlijke situatie zich voordoet op een schaal die raakt aan wezenlijke aspecten van zijn socialezekerheidsstelsel, waaronder het primaire doel van diens stelsel van arbeidsgebonden voordelen, of tot ernstige en mogelijk aanhoudende moeilijkheden op zijn arbeidsmarkt leidt, dan wel een buitensporige druk zet op het goede functioneren van zijn openbare diensten. Op voorstel van de Commissie, nadat zij de kennisgeving en de daarin vermelde gronden heeft beoordeeld, zou de Raad de betrokken lidstaat ertoe kunnen machtigen de toegang tot niet op premie- of bijdragebetaling berustende arbeidsgebonden voordelen voor zover nodig te beperken. De Raad kan die lidstaat ertoe machtigen, ten aanzien van werknemers uit de Unie die nieuwkomers zijn, de toegang tot niet op premie- of bijdragebetaling berustende arbeidsgebonden voordelen te beperken gedurende een totale periode van ten hoogste vier jaar vanaf de datum waarop het werk wordt aangevangen. De beperking moet van een aanvankelijke volledige uitsluiting evolueren naar een geleidelijk groter wordende toegang tot de bedoelde voordelen, teneinde rekening te houden met de sterker wordende band van de werknemer met de arbeidsmarkt van de gastlidstaat. De machtiging zal in de tijd beperkt en van toepassing zijn op EU-werknemers die nieuwkomers zijn gedurende een periode van 7 jaar. Volgens een Verklaring van de Commissie blijkt uit het soort informatie dat het Verenigd Koninkrijk haar heeft verstrekt, dat het type uitzonderlijke situatie waarvoor het voorgestelde vrijwaringsmechanisme is bedoeld, reeds bestaat in het Verenigd Koninkrijk, mede aangezien het land niet ten volle gebruik heeft gemaakt van de in recente Akten van Toetreding geboden overgangsperioden wat betreft het vrije verkeer van werknemers. Het Verenigd Koninkrijk zou het mechanisme daarom terecht kunnen activeren en er van kunnen uitgaan dat het daartoe toestemming zou verkrijgen. Daarnaast zal de Commissie zodra het Besluit van de Staatshoofden en Regeringsleiders in het kader van de Europese Raad bijeen van kracht is geworden een voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels indienen. Doel is alle lidstaten een mogelijkheid te bieden om, ter zake van de export van uitkeringen voor kinderen naar een andere lidstaat dan de lidstaat waar de werknemer verblijft, deze uitkeringen te koppelen aan de omstandigheden in de lidstaat waar het kind verblijft. Dit zal aanvankelijk alleen van toepassing zijn op nieuwe aanvragen. Vanaf 1 januari 2020 kunnen lidstaten de indexering desgewenst uitbreiden naar bestaande gevallen. De Commissie heeft niet de intentie om voor te stellen dat het toekomstige systeem van optionele indexering van de uitkeringen voor kinderen wordt uitgebreid naar andere soorten exporteerbare uitkeringen zoals ouderdomspensioenen. Naar aanleiding van het verzoek van de Vaste Commissie voor Europese Zaken om nadere appreciatie van de kindregelingen wijst het kabinet erop dat de verklaring van de Europese Commissie verdere uitwerking krijgt in secundaire regelgeving, waartoe de Commissie een voorstel zal presenteren. Op basis van dat voorstel kan worden bepaald op welke regelingen Nederland het woonlandprincipe zal kunnen toepassen, en wat de mogelijke implicaties zijn voor grensarbeiders. Vanuit Nederland bezien zou het invoeren van een indexering van alle Nederlandse gezinstoeslagen passen in het huidige beleid dat op basis van een woonlandfactor de hoogte van gezinsbijslagen wordt aangepast aan de levensstandaard van het land waar het kind woonachtig is (als dat land buiten de EU/EER/Zwitserland gelegen is), waarbij de hoogte van de Nederlandse uitkering geldt als maximum. Op deze wijze wordt tevens invulling gegeven aan de door de Kamer aangenomen motie van het lid Heerma (Kamerstukken II 2013/14, 33 750 XV, nr. 38) door in Europa een discussie aan te gaan over het beperken van de export van kinderbijslag. Zodra er een voorstel voor secundaire regelgeving volgt, zal het parlement uiteraard op de gebruikelijke wijze bij de behandeling ervan worden betrokken. Eerst dient het voorstel tot aanpassing van de Coördinatieverordening sociale zekerheid in EU-kader te worden uitgebracht. Vervolgens kan Nederland bepalen op welke wijze zij hier uitvoering aan wil geven. Ten aanzien van beide toekomstige maatregelen geldt dat deze niet tot gevolg mogen hebben dat EU-werknemers een minder gunstige behandeling genieten dan onderdanen van derde landen in een vergelijkbare situatie. Voort hebben de LS zich verplicht voorrang te geven aan de verdere behandeling van deze wetgevingsvoorstellen en een spoedige vaststelling daarvan te beijveren. Tevens kondigt de Commissie aan een voorstel te zullen doen ter aanvulling van Richtlijn 2004/38 inzake het vrij verkeer van burgers van de Unie, teneinde onderdanen van een derde land die geen legaal verblijf in een lidstaat hebben gehad vooraleer zij een huwelijk met een burger van de Unie aangaan, of die een huwelijk met een burger van de Unie aangaan pas nadat die burger zich in de gastlidstaat heeft gevestigd, uit te sluiten van het toepassingsgebied van de rechten op vrij verkeer. Dienovereenkomstig is in dergelijke gevallen de immigratiewetgeving van de gastlidstaat van toepassing op de onderdaan van een derde land. Tot slot kondigt de Commissie een mededeling aan met richtsnoeren voor de toepassing van het Unierecht met betrekking tot het vrij verkeer van personen. Het gaat daarbij specifiek om misbruik van rechten op vrij verkeer door burgers van de Unie die terugkeren naar hun lidstaat van nationaliteit met een familielid uit een derde land, wanneer het verblijf in de gastlidstaat niet van dien aard is geweest dat een gezinsleven is opgebouwd of bestendigd, en het tot doel had zich te onttrekken aan de toepassing van de nationale immigratieregels, het concept schijnhuwelijk en beperkingen samenhangend met overwegingen van openbare orde en veiligheid.