Geen inspraak in Duitse onderneming voor werknemers buiten Duitsland

Contentverzamelaar

Geen inspraak in Duitse onderneming voor werknemers buiten Duitsland
Het EU-recht staat toe dat werknemers van vestigingen buiten Duitsland worden uitgesloten van stemrecht en verkiesbaarheid in de raad van toezicht van een Duits concern. Lidstaten bepalen zelf wat de werkingssfeer van hun medezeggenschapswetgeving is, aldus het EU-Hof.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 18 juli 2017 in de zaak C-566/15.

TUI is een Duits bedrijf dat in de toerismesector actief is. TUI opereert wereldwijd met ongeveer 50.000 werknemers in dienst in de EU, waarvan iets meer dan 10.000 in Duitsland. Omdat TUI binnen de werkingssfeer van de Duitse medezeggenschapswet valt, wordt deze vennootschap beheerd door twee organen, namelijk de raad van bestuur, die als taak het beheer van de vennootschap heeft, en de raad van toezicht, die als taak het toezicht op de raad van bestuur heeft en waarin de werknemers deelnemen. Deze raad van toezicht bestaat voor de helft uit vertegenwoordigers van de aandeelhouders en voor de helft uit vertegenwoordigers die door de werknemers zijn aangewezen.

Het recht om te stemmen, zich verkiesbaar te stellen en deel uit te maken van de raad van toezicht is beperkt tot werknemers in dienst van in Duitsland gevestigde ondernemingen.

Een Duitse rechter vraagt het EU-Hof of de regels van de Duitse medezeggenschapswetgeving in overeenstemming zijn met het EU-recht. Ten eerste is het namelijk niet mogelijk voor werknemers van dochterondernemingen in andere lidstaten om deel uit te maken van de raad van toezicht. Dat kan in strijd zijn met artikel 18 van het EU-Werkingsverdrag (discriminatie op grond van nationaliteit). Ten tweede verliezen werknemers hun lidmaatschap van de raad door een overplaatsing naar een andere lidstaat dan Duitsland. Daardoor kunnen werknemers ontmoedigd worden om gebruik te maken van artikel 45 van het EU-Verwerkingsverdrag (vrij verkeer van werknemers binnen de EU).

Wat betreft het eerste punt is het EU-Hof kort. De werknemers van dochterondernemingen in andere lidstaten maken geen gebruik van hun recht op vrij verkeer en dus is er geen enkel aanknopingspunt voor de toepasbaarheid van het Unierecht.

Over het tweede punt antwoordt het EU-Hof dat de Duitse wetgeving geen problemen oplevert voor artikel 45 van het EU-Werkingsverdrag. Het staat de lidstaten - bij gebrek aan harmonisatie- en coördinatiemaatregelen op EU-niveau - in beginsel vrij om te bepalen wat het toepassingsbereik van hun wetgeving is. Lidstaten mogen dus zelf beslissen welke regels gelden op het gebied van collectieve vertegenwoordiging van werknemers in een beheersorgaan of een toezichtsorgaan van een vennootschap. Dat gebeurt immers ook via nationaal recht.

Het medezeggenschapsmechanisme dat door de Duitse wet is ingesteld mag de werkingssfeer dus beperken tot de werknemers die werkzaam zijn bij de vestigingen op Duits grondgebied. Echter, de criteria daarvoor moeten objectief en niet discriminerend zijn. Aan deze vereisten voldoet de Duitse regeling.

De Duitse regels vormen daarom geen belemmering van het vrije verkeer van werknemers, aldus het EU-Hof.

Meer info: