Contentverzamelaar

Initiatiefwetsvoorstel over opneming EU-lidmaatschap in de Grondwet
De Tweede Kamerleden Verhoeven en Jetten hebben een initiatiefwetsvoorstel ingediend om het lidmaatschap van de Europese Unie vast te leggen in de Grondwet. Volgens de Raad van State voldoet het voorstel aan de criteria voor grondwetswijziging.

Het voorstel voegt aan de Grondwet toe dat het Koninkrijk lid is van de Europese Unie (EU). De initiatiefnemers zien zo’n grondwettelijke verankering als een fundamentele erkenning van het belang van de Europese Unie voor de nationale rechtsorde; zij vinden het onjuist als daaraan niet op het niveau van de Grondwet aandacht wordt besteed.

Volgens de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk voldoet het voorstel aan de in de praktijk gebruikelijke criteria voor grondwetswijziging. Het eerste criterium houdt in dat de Grondwet alleen onderwerpen regelt die tot de hoofdelementen van ons staatsbestel behoren. Van de EU kan dat zonder meer worden gezegd; zij heeft onmiskenbaar invloed op de economie, de nationale instituties en de burger. Het tweede criterium houdt in dat brede en duurzame overeenstemming is over het belang van een onderwerp. Dat is hier het geval. Er wordt de laatste jaren vooral nuchter en pragmatisch tegen de EU aangekeken, maar er is in Nederland altijd brede steun geweest voor de idealen van de EU. Het laatste criterium houdt in dat het voorstel past bij het normatieve karakter van de Grondwet. Ook dat is het geval: het Nederlandse lidmaatschap van de EU is niet vrijblijvend, maar betekent een verankering van de waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten. Het voorstel van beide Kamerleden is daarmee normatief.

Daarom is het volgens de Afdeling advisering begrijpelijk dat in de Grondwet een bepaling over het lidmaatschap van de EU wordt opgenomen.

Noodzaak van een procedurele bepaling in de Grondwet

Het oorspronkelijke voorstel bevatte een regeling die moest waarborgen dat het lidmaatschap van de EU pas kan worden opgezegd als dat lidmaatschap eerst uit de Grondwet is verwijderd. De Afdeling advisering acht zo’n bepaling niet nodig. Een bepaling over het EU-lidmaatschap is immers normatief; is zo’n bepaling in de Grondwet opgenomen, dan is opzegging van het EU-lidmaatschap zonder aanpassing van die bepaling vanzelfsprekend ongrondwettig. De initiatiefnemers hebben de procedurebepaling daarom geschrapt.

Parlementaire betrokkenheid bij Europese besluitvorming

Het voorstel bepaalt verder dat er een wet moet komen die regelt hoe het parlement wordt betrokken bij de Europese besluitvorming. Deze bepaling is volgens de Afdeling advisering niet nodig: de Grondwet regelt al dat de regering het parlement informatie moet verschaffen. Bovendien is die verplichting nader uitgewerkt in afspraken tussen regering en beide Kamers over het verschaffen van informatie over Europese besluitvorming. De Afdeling adviseert daarom dit onderdeel van het voorstel te schrappen.
De initiatiefnemers zijn echter van mening dat nu in het wetsvoorstel wordt voorgesteld om in de Grondwet een (normatieve) bepaling omtrent het lidmaatschap van de Europese Unie op te nemen, daarbij – gelet op de in ons staatsbestel gebruikelijke, en noodzakelijke, «checks and balances» – ook een bepaling hoort omtrent de parlementaire betrokkenheid bij besluitvorming van de Europese Unie. Een opdracht aan de wetgever om die betrokkenheid te regelen bevordert de kenbaarheid van de precieze rol van het parlement in het Europese besluitvormingsproces en de (controle op) de naleving van de regels hieromtrent. Ook impliceert deze een waarborg tegen het beëindigen van de thans bestaande praktijk zonder daarvoor iets in de plaats te stellen, aldus de initiatiefnemers.

Meer informatie:

  • Voorstel van rijkswet van de leden Verhoeven en Jetten houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot toevoeging van bepalingen inzake het lidmaatschap van de Europese Unie ( kamerstukkendossier 35202-(R2126).
  • Tekst van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State van 10 december 2019 en de reactie van de initiatiefnemers ( kamerstukken 35202-(R2126), nr. 4)
  • ECER-website: dossier Informatievoorziening aan het parlement