Nederlandse woningcorporatie voor EG-Hof

Contentverzamelaar

Nederlandse woningcorporatie voor EG-Hof
De Raad van State heeft vragen gesteld aan het EG-Hof over het verbod voor woningscorporaties om buiten Nederland huisvestingsactiviteiten te ondernemen. De Raad van State heeft twijfels over de toepassing van het vrije kapitaalverkeer en de uitzonderingen daarop, en over de staatssteunregels voor diensten van algemeen economisch belang.

Het betreft een beroep van de woningstichting Sint Servatius te Maastricht tegen de minister van Wonen, Wijken en Integratie. De minister had toestemming geweigerd voor een grensoverschrijdend woningbouwproject in het Belgische Luik. De uitspraak van het EG-Hof in deze voor Nederland en andere lidstaten principi ële zaak volgt vermoedelijk pas eind volgend jaar.

De vragenlijst van de Raad van State is vrij lang en bestrijkt allerlei principiële aspecten van het vrije kapitaalverkeer en de staatssteunregels:

1. Is sprake van een beperking van het vrije verkeer van kapitaal als bedoeld in artikel 56 van het EG-Verdrag, indien zonder voorafgaande toestemming van de minister geen grensoverschrijdende activiteiten mogen worden verricht door een onderneming die ingevolge de wet is toegelaten tot de behartiging van het belang van de volkshuisvesting van Nederland, die daartoe een beroep kan doen op publieke middelen, die ingevolge de wet uitsluitend in dat belang werkzaam mag zijn en die haar werkterrein in beginsel binnen Nederland heeft ("toegelaten instelling")?

2.a. Kan het belang van de volkshuisvesting van een lidstaat worden aangemerkt als een belang van openbare orde als bedoeld in artikel 58 van het EG-Verdrag?

2.b. Kan het belang van de volkshuisvesting van een lidstaat als een in de rechtspraak van het Hof van Justitie erkende dwingende reden van algemeen belang worden aangemerkt?

2.c. Kan meer in het bijzonder het belang van de effectiviteit en de financierbaarheid van het volkshuisvestingsbestel in een lidstaat als een belang van openbare orde als bedoeld in artikel 58 van het EG-Verdrag dan wel als een in de rechtspraak van het Hof van Justitie erkende dwingende reden van algemeen belang worden aangemerkt?

3.a. Aangenomen dat het vereiste van voorafgaande toestemming voor een toegelaten instelling als bedoeld in vraag 1, een beperking vormt waarvoor een rechtvaardiging bestaat zoals bedoeld in de vragen 2.a, 2.b en 2.c, is dat ve reiste dan noodzakelijk en proportioneel?

3.b. Beschikt een lidstaat bij het toepassen van deze rechtvaardiging over een ruime discretionaire marge ter bepaling van het bereik van het betrokken algemeen belang en de wijze waarop dat belang wordt behartigd? Is daarbij mede bepalend dat de Gemeenschap op het gebied van de volkshuisvesting geen of nauwelijks bevoegdheden heeft?

4.a. Kan een lidstaat ter rechtvaardiging van een beperking van het vrije kapitaalverkeer, naast, dan wel in samenhang met, de in artikel 58 van het EG-Verdrag genoemde en in de rechtspraak van het Hof van Justitie erkende dwingende redenen van algemeen belang, tevens een beroep doen op artikel 86, tweede lid, van het EG-Verdrag, indien aan de betrokken ondernemingen bijzondere rechten zijn verleend en deze ondernemingen belast zijn met het beheer van diensten van algemeen economisch belang?

4.b. Hebben de algemene belangen als bedoeld in artikel 58 van het EG-Verdrag en de in de rechtspraak van het Hof van Justitie erkende dwingende redenen van algemeen belang dezelfde inhoud als het algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 86, tweede lid, van het EG Verdrag?

4.c. Heeft het inroepen door de betrokken lidstaat van artikel 86, tweede lid, van het EG-Verdrag, waarbij betoogd wordt dat de betrokken ondernemingen waaraan bijzondere rechten zijn verleend, taken van algemeen economisch belang uitoefenen, een meerwaarde ten opzichte van het inroepen van algemene belangen als bedoeld in artikel 58 van het EG-Verdrag en de in de rechtspraak van het Hof van Justitie erkende dwingende redenen van algemeen belang?

5.a. Kunnen ondernemingen, zoals toegelaten instellingen als bedoeld in vraag 1, die enerzijds hun hele vermogen dienen in te zetten ten behoeve van het belang van de volkshuisvesting, maar die anderzijds ook commerciële activiteiten ten behoeve van de volkshuisvesting verrichten, voor alle of een gedeelte van hun taken worden aangemerkt als ondernemingen die zijn belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 86, tweede lid, van het EG-Verdrag?

5.b. Is het voor de bevestigende beantwoording van vraag 5.a noodzakelijk dat de betrokken ondernemingen een gescheiden boekhouding voeren aan de hand waarvan onmiskenbaar kan worden vastgesteld welke kosten en welke opbrengsten verband houden met enerzijds hun sociale en anderzijds hun commerciële activiteiten en dat deze verplichting is opgenomen in een nationaal wettelijk voorschrift? Dient daarmee dan te zijn gewaarborgd dat de financiële middelen van een lidstaat uitsluitend ten goede komen aan de sociale activiteiten en de continuïteit daarvan?

6.a. Indien een toegelaten instelling als bedoeld in vraag 1, voor alle of een gedeelte van haar activiteiten kan worden beschouwd als onderneming die belast is met het beheer van diensten van algemeen economisch belang als bedoeld in artikel 86, tweede lid, van het EG-Verdrag, kan het belast zijn met het beheer van dergelijke diensten dan rechtvaardigen dat aan de toegelaten instelling een beperking van het vrije verkeer van kapitaal als bedoeld in artikel 56 van het EG-Verdrag wordt opgelegd?

6.b. Beschikt een lidstaat bij het toepassen van deze rechtvaardiging over een ruime discretionaire marge ter bepaling van het bereik van het betrokken algemeen economisch belang en de wijze waarop dat belang wordt behartigd? Is daarbij mede bepalend dat de Gemeenschap op het gebied van de volkshuisvesting geen of nauwelijks bevoegdheden heeft?

7.a. Kan de omstandigheid dat een lidstaat aan bepaalde ondernemingen als bedoeld in artikel 86, tweede lid, van het EG-Verdrag financiële middelen ter beschikking stelt, de noodzaak meebrengen om hun activiteiten territoriaal te begrenzen, om zo te voorkomen dat deze financiële middelen ongeoorloofde staatssteun zouden vormen en dat de ondernemingen met gebruik van deze middelen in een andere lidstaat tegen niet marktconforme voorwaarden concurreren met ondernemingen in die lidstaat?

7.b. Kan een lidstaat, in dit geval Nederland, aan toegelaten instellingen als bedoeld in vraag 1 die in een andere lidstaat woningbouwactiviteiten van sociale en commerciële aard willen uitoefenen, de eis van een voorafgaande toestemming opleggen, indien in de eerstgenoemde lidstaat nog geen wettelijke verplichting bestaat om een scheiding aan te brengen tussen deze twee soorten activiteiten? Is in dit geval het vereiste van de voorafgaande toestemming een noodzakelijk en proportioneel middel met het oog op het eerbiedigen van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag?