Overnemer van overheidswerknemer niet gebonden aan overheidscao

Contentverzamelaar

Overnemer van overheidswerknemer niet gebonden aan overheidscao
Een clausule in een arbeidscontract van een voormalige overheidswerknemer die “dynamisch” verwijst naar toekomstige salarisaanpassingen in een overheidscao bindt niet een private werkgever die de overheidsdienst heeft overgenomen. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Britse rechter.

Het gaat om het arrest van 18 juli 2013 in de zaak C-426/11, Alemo-Heron, over de uitleg richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82, blz. 16).

Volgens artikel 3 van richtlijn 2001/23/EG is degene die een (overheids-)onderneming overneemt gebonden aan de afspraken die zijn gemaakt tussen de werknemer en de vorige werkgever. Volgens artikel 8 van de richtlijn mogen de lidstaten bepalingen toepassen die gunstiger zijn voor werknemers. Volgens het Britse overeenkomstenrecht kan een verkrijger na de overgang van een onderneming niet alleen gebonden worden aan cao’s die golden op het moment van overname, maar ook aan cao’s die daarna worden vastgesteld.

Het Hof overweegt in dit arrest als volgt.

De overgang van de onderneming in het hoofdgeding heeft plaatsgevonden tussen een publiekrechtelijke rechtspersoon en een privaatrechtelijke rechtspersoon. Voor zover een onderneming uit de publieke sector overgaat naar de particuliere sector, moet worden aangenomen dat de verkrijger zijn activiteiten niet zal kunnen voortzetten zonder aanzienlijke aanpassingen en veranderingen door te voeren, aangezien er tussen die twee sectoren onvermijdelijk verschillen bestaan op het vlak van de arbeidsvoorwaarden.
Een dynamische clausule die verwijst naar collectieve overeenkomsten waarover wordt onderhandeld, die worden vastgesteld na de betrokken overgang van de ondernemingen die de evolutie van de arbeidsvoorwaarden in de publieke sector beogen te regelen, kan de manoeuvreerruimte die een particuliere verkrijger nodig heeft om dergelijke aanpassingsmaatregelen te treffen, echter aanmerkelijk beperken. In die situatie kan een dergelijke clausule het evenwicht tussen de belangen van de verkrijger als werkgever en die van de werknemers verstoren.

In de tweede plaats moet de verkrijger, overeenkomstig de vrijheid van ondernemerschap als bedoeld in artikel 16 van het EU-Handvest van de Grondrechten, bij de totstandkoming van een overeenkomst waarbij hij partij is, zijn belangen doeltreffend kunnen doen gelden en met het oog op zijn toekomstige economische activiteit kunnen onderhandelen over de factoren die bepalend zijn voor de evolutie van de arbeidsvoorwaarden van zijn werknemers. De verkrijger waar het in het hoofdgeding om gaat, kan echter onmogelijk bij de onderhandelingen binnen het orgaan voor collectieve onderhandeling in kwestie worden betrokken. In die omstandigheden kan die verkrijger bij de totstandkoming van een overeenkomst zijn belangen niet doeltreffend doen gelden; evenmin kan hij met het oog op zijn toekomstige economische activiteit onderhandelen over de factoren die bepalend zijn voor de evolutie van de arbeidsvoorwaarden van zijn werknemers.

De contractvrijheid van die verkrijger is dus zodanig beperkt dat zijn vrijheid van ondernemerschap in de kern dreigt te worden aangetast. Artikel 3 van richtlijn 2001/23, gelezen in samenhang met artikel 8 daarvan, kan niet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten toestaat maatregelen te nemen die weliswaar gunstiger zijn voor de werknemers, maar de vrijheid van ondernemerschap van de verkrijger in de kern kunnen aantasten.