Rapport over uitzonderen sociaal domein opdrachten van Europese aanbestedingsrichtlijnen

Contentverzamelaar

Rapport over uitzonderen sociaal domein opdrachten van Europese aanbestedingsrichtlijnen
Minister Hugo de Jonge van VWS heeft de Kamer geïnformeerd over de totstandkoming van een rapport dat kan dienen ter onderbouwing bij zijn inspanningen om overheidsopdrachten in het sociaal domein uit te zonderen van aanbestedingsverplichtingen op grond van de Europese aanbestedingsrichtlijn. Conclusie van het onderzoek is dat de regels van die richtlijn die van toepassing zijn op opdrachten in het sociaal domein momenteel efficiënt noch effectief zijn.

De Europese aanbestedingsrichtlijn (EU-richtlijn 2014/24) kent reeds een apart en lichter aanbestedingsregime voor zogenaamde ‘sociale en andere specifieke diensten’ (artikel 74). Bovengenoemde inspanningen van minister de Jonge om nu te pogen om op het gebied van sociale diensten ten aanzien van met name jeugd- en thuiszorgdiensten een aparte uitzonderingspositie te creëren wordt dan ook met belangstelling gevolgd vanuit diverse andere sociale en andere specifieke dienstensectoren.

De brief waarin minister de Jonge de Kamer informeert over het onderzoek naar met name de sociale diensten op het vlak van jeugdzorg en thuiszorg verwijst naar een aantal bijlagen. Een daarvan is het Engelstalige rapport (met Nederlands addendum ) over de efficiëntie en effectiviteit van de bepalingen in de Europese aanbestedingsrichtlijn 2014/24 die verplichten tot het aanbesteden van opdrachten in het sociaal domein.

Het rapport onderzoekt twee hoofdvragen. De eerste vraag is wat de omvang is van de grensoverschrijdende dimensie van sociale gezondheidsdiensten in Europa. De tweede vraag richt zich op de uitvoeringslasten van aanbestedende diensten en zorgverleners die betrokken zijn bij de uitvoering van sociale gezondheidsdiensten in de zin van richtlijn 2014/24 en waar die uitvoeringslasten uit bestaan.

Het addendum concludeert dat het grensoverschrijdende karakter van overheidsopdrachten in het sociaal domein in Europa verwaarloosbaar is. Hiermee wordt bevestigd dat er geen Europese markt is voor het onderzochte soort diensten. Geïnterviewde aanbestedende diensten en zorgaanbieders geven aan dat dit komt doordat de diensten -met name de jeugdzorg en thuiszorg- vooral lokaal georganiseerd zijn en omdat het unieke karakter van deze diensten grensoverschrijdende activiteiten belemmert. Vanuit zorgaanbieders bestaat geen belangstelling voor grensoverschrijdende activiteiten in het sociaal domein en zelfs als bestaande wettelijke en regelgeving barrières zouden worden weggenomen, dan verandert dit niet.

Ook de uitvoeringslasten zijn onderzocht. Voor de zorgaanbieders bedragen de onderzochte uitvoeringslasten in totaal per jaar voor de hele EU (27 lidstaten) 76 miljoen euro, waarvan 79% rechtstreeks voortkomt uit uitvoering van verplichtingen uit de richtlijn. Deze lasten komen volgens het rapport voornamelijk voort uit het aanmaken en indienen van aanbestedingsdocumenten en het stellen van vragen alvorens deel te nemen aan een aanbestedingsprocedure. De procedures worden in het algemeen als inefficiënt en omslachtig ervaren. Voor wat betreft de uitvoeringslasten voor aanbestedende diensten merkt het rapport op dat die in totaal per jaar voor de hele EU (27 lidstaten) 27 miljoen euro per aanbestedingsprocedure bedragen. 87% van die kosten komt rechtstreeks voort uit verplichtingen uit de richtlijn. Uitvoeringslasten voor aanbestedende diensten ontstaan vooral bij het gunnen, informeren en beoordelen van de inschrijvingen.

Het rapport concludeert dat zowel aanbestedende diensten als zorgverleners de aanbestedingsrichtlijn als inefficiënt en belastend ervaren. Hoewel sommige aanbestedende diensten aangeven het bestaan van richtlijnen en een gestructureerd proces wel te waarderen, zouden ze deze liever niet als verplichting zien. Het ontbreken van grensoverschrijdendheid in het sociaal domein, gecombineerd met aanzienlijk ervaren uitvoeringslasten, leidt volgens het rapport tot onevenredigheid. De eindconclusie is dan ook dat de regels die van toepassing zijn op overheidsopdrachten in het sociaal domein efficiënt noch effectief zijn. Hierop volgt de aanbeveling om met inachtneming van de uitkomsten van dit rapport de huidige verplichtingen op grond van de Europese aanbestedingsrichtlijn zoals die momenteel van toepassing zijn in het sociaal domein te evalueren, met het oog op eventuele aanpassingen.

Eind dit jaar zal minister de Jonge via een voortgangsrapportage de Kamer verder informeren over het verloop van zijn inspanningen op het gebied van het creëren van een uitzonderingspositie in de Europese aanbestedingsrichtlijnen ten aanzien van sociaal domein opdrachten.                           

Meer informatie:

  • Kamerbrief over onderzoeken inkoop en aanbesteden in sociaal domein

ECER dossier: Aanbestedingen