Contentverzamelaar

Toegang tot documenten in een dossier van een EU-pilotprocedure
Niet kan worden aanvaard dat de EU-pilotprocedure een nieuwe categorie van documenten vormt waarvoor een algemeen vermoeden tegen openbaarmaking dient te gelden. Dit heeft A-G Sharpston geadviseerd aan het Hof van Justitie.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal (AG) Sharpston van 17 november 2016 in de zaak C-562/14 P Zweden tegen Euroepse Commissie.

Het advies is door de A-G gegeven in een hogere voorziening waarin Zweden het Hof verzoekt om vernietiging van het arrest van het Gerecht in zaak T-306/12 inzake de toegang tot documenten op grond van de Eurowob.

Volgens twee echtelieden is hun kind overleden als gevolg van een therapeutische behandeling in een privékliniek in Duitsland. Bij de Commissie dienden ze een klacht in waarin ze aanvoerden dat de Duitse autoriteiten hun verplichtingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 1394/2007 niet waren nagekomen. De Commissie heeft daarop een EU-pilotprocedure geopend om vast te stellen of de betreffende verordening was geschonden.  Op grond van artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening nr. 1049/2001 (de ‘Eurowob’) heeft de Commissie twee verzoeken om toegang tot documenten met informatie over de behandeling van de klacht, afgewezen.

In hun eerste middel voeren de echtelieden aan dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door artikel 4, lid 2, derde streepje van de Eurowob zo uit te leggen, dat zij de openbaarmaking van documenten betreffende een EU-pilotprocedure mocht weigeren zonder daarvan een concreet en individueel onderzoek te verrichten. Het Gerecht oordeelde dat de Commissie terecht had gesteld dat voor documenten over een EU-pilotprocedure algemene aanname tegen openbaarmaking gold. Het Gerecht merkte daarbij op dat het Hof, bij wijze van uitzondering op het beginsel van transparantie, heeft geoordeeld dat Unie-instellingen zich mogen baseren op algemene aannames die gelden voor bepaalde categorieën documenten. Een concreet en individueel onderzoek van elk document is niet noodzakelijk wanneer het, gelet op de bijzondere omstandigheden van de zaak, overduidelijk is dat toegang moet worden geweigerd of moet worden verleend. Dit is het geval wanneer een document valt onder een categorie documenten waarvoor een algemene aanname geldt. Inzake vijf categorieën heeft het Hof reeds geoordeeld dat dergelijke algemene aannames gelden. Het Gerecht concludeerde dat de algemene aanname voor weigering, die volgens de rechtspraak geldt voor niet-nakomingsprocedures met inbegrip van de precontentieuze fase, ook moet gelden in het kader van de EU-pilotprocedure. Het Gerecht concludeerde dat wanneer een instelling zich op de in artikel 4, lid 2, derde streepje van de EuroWob bedoelde uitzondering beroept, deze zich mag baseren op een algemene aanname om de toegang te weigeren tot documenten over de EU-pilotprocedure, als een fase die voorafgaat aan de eventuele formele instelling van een niet-nakomingsprocedure.

Naar de mening van de A-G is de situatie in de EU-pilotprocedure en de niet-nakomingsprocedure (met name de precontentieuze fase ervan) niet geheel gelijk. Een onderscheid moet worden gemaakt tussen EU-pilotprocedures die in feite de precontentieuze fase van een niet-nakomingsprocedure vervangen, en de pilotprocedures waarvoor dit niet geldt. De A-G geeft aan dat aangezien de EU-pilotprocedure een breder toepassingsgebied heeft dan een niet-nakomingsprocedure, niet nauwkeurig kan worden aangegeven in welke opzichten openbaarmaking het doel en het verloop van EU-pilotprocedures zou ondermijnen. De A-G aanvaardt dan ook niet dat de EU-pilotprocedure in het algemeen een nieuwe categorie van documenten vormt waarvoor een algemeen tegen openbaarmaking pleitend vermoeden dient te gelden. Een dergelijk algemeen vermoeden moet restrictief worden uitgelegd en toegepast, aangezien het een uitzondering vormt op de regel dat de Unie-instelling verplicht is tot een concreet en individueel onderzoek van elk document waartoe om toegang wordt verzocht. De A-G geeft aan dat dit anders ligt wanneer een EU-pilotprocedure in de plaats treedt van een precontentieuze fase van een niet-nakomingsprocedure. In die situatie zou wel een algemeen vermoeden van vertrouwelijkheid van toepassing zijn, aangezien volledige openbaarmaking de mogelijkheid om in deze fase van de niet-nakomingsprocedure in een klimaat van wederzijds vertrouwen tussen de Commissie en de betrokken lidstaat onderhandelingen te voeren in het gedrang zou kunnen brengen, en de bescherming van het doel van de onderzoeken van de instelling zou ondermijnen.

In de concrete casus concludeert de A-G dat er geen sprake is van een algemeen vermoeden dat pleit tegen openbaarmaking. De Commissie diende derhalve elk verzoek om toegang individueel te onderzoeken. Door niet te oordelen dat de Commissie de twee door de echtelieden opgevraagde documenten concreet en individueel had moeten onderzoeken, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.