Belemmeringsverbod en uitzonderingen

Belemmeringsverbod en uitzonderingen

Net als bij het vrij verkeer van goederen staat bij het vrij verkeer van diensten een belemmeringenverbod centraal. Zoals het Hof in zaak C-76/90 Säger aangeeft: artikel 56 EU-Werkingsverdrag verlangt 'niet alleen de afschaffing van iedere discriminatie van de dienstverrichter op grond van diens nationaliteit ... maar tevens de opheffing van iedere beperking - ook indien deze zonder onderscheid geldt voor binnenlandse dienstverrichters en dienstverrichters uit andere Lid-Staten - die de werkzaamheden van de dienstverrichter die in een andere Lid-Staat is gevestigd en aldaar rechtmatig gelijksoortige diensten verricht, verbiedt of anderszins belemmert'.

Ook maatregelen zonder onderscheid die een beperking van het vrij verkeer van diensten opleveren worden dus door het verbod van artikel 49 bestreken (zie bijvoorbeeld zaak C-384/93, Alpine Investments). Bovendien kan het gaan om zowel invoer- als uitvoerbelemmeringen. Het belemmeringenverbod geldt zowel voor lidstaten als particulieren ( 36/74, Walrave-Koch) en heeft (horizontale) rechtstreekse werking ( 33/74, Van Binsbergen, C-258/08, Ladbrokes).

Belemmerende maatregelen kunnen geoorloofd zijn wanneer zij op grond van het EU-Werkingsverdrag van de toepassing van artikel 56 EU-Werkingsverdrag zijn uitgezonderd. Deze uitzonderingen vinden we terug in artikel 62 EU-Werkingsverdrag. Dit artikel verwijst terug naar de artikelen 51 t/m 54 EU-Werkingsverdrag betreffende de vrijheid van vestiging en verklaart die van overeenkomstige toepassing op het vrije verkeer van diensten.

Naast de hierboven aangeven verdragsrechtelijke uitzonderingen kent het vrij dienstenverkeer ook de rule of reason: beperkende maatregelen, zoals een vergunningvereiste, zijn geoorloofd wanneer zij worden toegepast met het oog op dwingende redenen van algemeen belang. Volgens vaste rechtspraak kan een beperking van artikel 56 VWEU enkel worden gerechtvaardigd door regelingen die hun rechtvaardiging vinden in dwingende redenen van algemeen belang, die gelden voor iedere persoon of onderneming die op het grondgebied van de ontvangende lidstaat werkzaam is, voor zover dit belang niet wordt gewaarborgd door de regels waaraan de dienstverlener is onderworpen in de lidstaat waar hij is gevestigd en voor zover deze regelingen geschikt zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen en niet verder gaan dan voor het bereiken van dat doel noodzakelijk is ( zaak C‑58/98, Corsten, zaak C‑433/04, Commissie/België, zaak C‑490/04, Commissie/Duitsland).

Wanneer de regels van het land van oorsprong buiten werking gelaten worden en gekozen wordt voor de toepassing van nationale wetgeving, dan zal voldaan moeten zijn aan de eisen van noodzakelijkheid en evenredigheid. Zo moeten de lidstaten bij de toepassing van hun nationale bepalingen rekening houden met de kennis en de kwalificaties die de betrokkene reeds in een andere lidstaat heeft verworven. Zij moeten dus de gelijkwaardigheid van de diploma' s in aanmerking nemen en, in voorkomend geval, de kennis en de kwalificaties van de betrokkene vergelijken met die welke volgens hun nationale bepalingen vereist zijn ( zaak C-55/94, Gebhard).