Niet-financiële belemmeringen

Niet-financiële belemmeringen

Kwantitatieve beperkingen (artt. 34 en 35 EU-Werkingsverdrag)
Behalve door douanerechten en heffingen van gelijke werking, kan de tussenstaatse handel ook worden beperkt door kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking. Het Verdrag maakt een onderscheid tussen invoerbeperkingen ( artikel 34 EU-Werkingsverdrag) en uitvoerbeperkingen ( Artikel 35 EU-Werkingsverdrag). Dergelijke kwantitatieve invoer- en uitvoerbeperkingen zijn verboden.
Kwantitatieve restricties zijn alle wettelijke of bestuursrechtelijke voorschriften of administratieve maatregelen die de in- of uitvoer van één of meer producten naar de hoeveelheid of naar de waarde van de goederen beperken. Men spreekt dan van ' quotering' of ' contingentering'. Uit de jurisprudentie van het Hof kan worden afgeleid, dat de verboden en excepties ook op doorvoer van toepassing zijn. Het Hof baseert zich daarbij op artikel 36 EU-Werkingsverdrag, waar doorvoer wel wordt genoemd. In de jurisprudentie spelen kwantitatieve beperkingen overigens een zeer ondergeschikte rol.

Maatregel van gelijke werking
De artikelen artikel 34 EU-Werkingsverdrag en Artikel 35 EU-Werkingsverdrag verbieden zoals gezegd niet alleen kwantitatieve beperkingen, maar ook alle maatregelen van gelijke werking. Over de vraag wat onder 'maatregel van gelijke werking' moet worden verstaan, is veel discussie geweest. In het arrest Dassonville (8/74) heeft het Hof de volgende omschrijving gegeven: ' iedere (handels)regeling der Lid-Staten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren'. Deze rechtsoverweging, die sindsdien wordt aangeduid als de Dassonville-formule, vormt een belangrijk uitgangspunt voor latere rechtspraak. Het verbod is zeer verstrekkend. Zelfs de potentiële kans op een invoerbelemmering is voldoende om een nationale regeling in strijd met artikel 34 EU-Werkingsverdrag te laten zijn.

Maatregelen met onderscheid
Op grond van de zaak Dassonville werd duidelijk dat maatregelen die onderscheid maken tussen nationale en geïmporteerde producten, de zogeheten maatregelen met onderscheid, onder het verbod van artikel 34 EU-Werkingsverdrag vallen. In deze zaak moest alle geïmporteerde sterke drank een certificaat hebben waaruit bleek de 'echtheid' van het product moest blijken. Deze last rustte echter niet op binnenlandse producten. Geïmporteerde drank moest dus aan een extra eis voldoen en werd duurder, waardoor het waarschijnlijk was dat er minder werd geïmporteerd.

Maatregelen zonder onderscheid
In latere jurisprudentie werd duidelijk dat ook maatregelen die zonder onderscheid van toepassing waren op het produceren en het in de handel brengen van zowel binnenlandse als buitenlandse producten niet zijn toegestaan. Een goed voorbeeld van zo'n verboden maatregel zonder onderscheid is de Duitse regel die speelde in de zaak Cassis de Dijon (120/78). Deze regeling bepaalde dat alle in Duitsland verkochte vruchtenlikeur een minimaal alcoholpercentage moest hebben. Dit hield Franse likeuren, die normaal gesproken met een lager percentage werden bereid, buiten de deur. Het Hof overwoog dat dergelijke regels ook maatregelen van gelijke werking kunnen zijn. Dit wordt de Cassis-formule genoemd.

Anders gezegd, net als bij heffingen van gelijke werking gaat het bij maatregelen van gelijke werking om een belemmeringenverbod. Of een maatregel wel of geen onderscheid maakt tussen nationale en buitenlandse producten doet niet terzake.

Verkoopmodaliteiten
In reactie op de in de praktijk soms ongewenste brede werking van de Dassonville-formule (zie bijvoorbeeld de zaak C-23/89, Quitlynn) heeft het Hof in de Keck-jurisprudentie aangeven dat zogeheten 'verkoopmodaliteiten' niet kunnen worden gezien als een maatregelen van gelijke werking in de zin van artikel 34 EU-Werkingsverdrag Een verkoopmodaliteit is een regeling die betrekking heeft op de wijze van verkopen van een bepaald product, zoals bijvoorbeeld regels omtrent openingstijden van winkels, prijzen, arbeidsrechten van winkelpersoneel, advertenties, etc. Verkoopmodaliteiten zijn geen maatregelen van gelijke werking, mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed hebben op de verhandeling van nationale producten als op de verhandeling van producten uit andere lidstaten, en mits die bepalingen van toepassing zijn op alle marktdeelnemers die binnen de lidstaat actief zijn ( zaak Keck, C-267/91). Producteisen zijn niet uitgezonderd van het verbod van artikel 34 EU-Werkingsverdrag Het verschil tussen een productvoorschrift en een verkoopmodaliteit is, dat eerstgenoemde eist dat er inhoudelijke veranderingen worden aangebracht op het product of zijn verpakking voordat het verkocht kan worden ( zaak Familiapress, C-368/95).
Een van de laatste arresten op dit gebied is de zaak C.100/05, Commissie/Italië. Het Hof geeft in dit arrest aan dat "de maatregelen van een lidstaat die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat uit andere lidstaten afkomstige producten minder gunstig worden behandeld" ook moeten worden beschouwd als maatregelen van gelijke werking. De gevolgen van dit arrest hebben zich nog niet uitgekristalliseerd. Deze uitspraak is ook interessant omdat deze zaak ging over regels omtrent het gebruik van een goed. Het Hof heeft in meerdere arresten aandacht hieraan besteed. Soms kan een maartegel omtrent het gebruik van een goed worden gerechtvaardigd ( C-142/05, Mickelsson en Roos) en soms niet ( C-265/06, Commissie/Portugal)

Wederzijdse aanvaarding
In het arrest Cassis de Dijon werd ook de basis gelegd voor de regel van wederzijdse aanvaarding (of erkenning): Lidstaten moeten producten die in andere lidstaten rechtmatig in het verkeer zijn gebracht aanvaarden (zie ook Cassis de Dijon, 120/78). Deze regel kan gezien worden als een uitwerking van artikel 4, lid 3 EU (Unietrouw).

Verschil tussen de artikelen 34 en 35 EU-Werkingsverdrag

Op artikel 35 EU-Werkingsverdrag wordt minder vaak een beroep gedaan. Illustratief zijn de zaken waarin de verplichte levering van afval aan een lokale afvalverwerker werd getoetst aan het verbod van uitvoerbeperkingen ( zaak C-172/82 Inter-Huiles, zaak C-209/98, FFAD).

Onder deze bepaling vallen volgens het EU-Hof alleen “nationale maatregelen die een specifieke beperking van het uitgaande goederenverkeer tot doel of tot gevolg hebben en aldus tot een ongelijke behandeling van de binnenlandse handel en de uitvoerhandel van een lidstaat leiden, waardoor aan de nationale productie of de binnenlandse markt van de betrokken lidstaat ten koste van de productie of de handel van andere lidstaten een bijzonder voordeel wordt verzekerd”. Een algemeen verbod op de aanwezigheid van paardenvlees in de vleeswarenindustrie was geen uitvoerbeperking ( zaak 15/79, Groenveld).

Niet van belang is of een maatregel alleen voor exporteurs geldt of voor alle handelaren op de nationale markt ( zaak C-47/9, Delhaize). Van belang is het doel of gevolg van een maatregel voor de uitvoer van een product. “Een verbod dat zonder onderscheid van toepassing is op alle op het nationale grondgebied handelende marktdeelnemers, kan nadeliger zijn voor de uitvoer van producten van de markt van de uitvoerende lidstaat dan voor de handel in producten op de nationale markt van die lidstaat”, aldus het EU-Hof. Ook in dat geval is sprake van een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve uitvoerbeperking ( zaak C-205/07, Gysbrechts). Voor een overzicht van de niet altijd heldere rechtspraak van het EU-Hof: conclusie AG Mengozzi bij zaak C-161/10, punten 43-50.