17. Einde toepassing EU-recht

De toepasselijkheid van het EU-recht op een lidstaat kan worden beëindigd door de terugtrekking van die lidstaat uit de EU op grond van artikel 50 EU-Verdrag. De gevolgen van deze terugtrekking kunnen worden geregeld in een verdrag tussen de EU en de zich terugtrekkende lidstaat, en kunnen nog jaren na de terugtrekking effect sorteren (zie het Terugtredingsakkoord Brexit).

17.1. Deel van het grondgebied

De toepasselijkheid van het EU-recht op een deel van het grondgebied van een lidstaat kan worden gewijzigd door een statuswijziging. Dit deel van het grondgebied wordt opgenomen in bijlage II betreffende de zogenoemde landen en gebieden overzee (LGO) bij het EU-Werkingsverdrag (zoals Saint Barthelémy in 2012 of Groenland in 1986). Ook kan de toepasselijkheid van het EU-recht worden gewijzigd als gevolg van het onafhankelijk worden van een deel van het grondgebied (zoals Algerije in 1962).

Voor individuele personen kan de toepassing van het EU-recht geheel of gedeeltelijk eindigen door verhuizing naar een derde land of door het verlies van de nationaliteit van een lidstaat. Dit laatste kan het gevolg zijn van de toepassing van de nationaliteitswetgeving van een lidstaat, maar ook van een wijziging in de toepasselijkheid van het EU-recht op een lidstaat of een gedeelte ervan.

17.2. Rechten na einde toepassing EU-recht

Toch kunnen soms na de beëindiging van de toepasselijkheid van het EU-recht nog rechten worden ontleend aan de werking van het EU-recht op feitenconstellaties voorafgaand aan de beëindiging. Gedacht kan worden aan de socialezekerheidsrechten zoals neergelegd in de EU-coordinatieverordeningen 1408/71, respectievelijk 883/2004. Deze verordeningen zijn van toepassing op personen die de nationaliteit van een lidstaat hebben. Hier is evenwel sprake van een zekere na-ijling van rechten opgebouwd voorafgaand aan de beëindiging van de EU-nationaliteit. Het bezit van de nationaliteit van een lidstaat moet volgens het EU-Hof worden beoordeeld naar het moment waarop de persoon zijn socialezekerheidstijdvakken opbouwde en niet naar het moment van verzilvering ervan door het aanvragen van een uitkering of pensioen (C-10/78, Belboaub, over de rechten van een Algerijn die als Fransman in Duitsland had gewerkt voorafgaand aan de onafhankelijkheid van Algerije). Daarentegen kunnen personen die socialezekerheidsrechten hebben opgebouwd in een land dat later toetrad tot de EU, maar waarvan zij vóór die toetreding al de nationaliteit hebben verloren, geen beroep meer doen op de EU-coordinatieverordeningen (C-105/89, Buhari Haji).