De toegang tot werkzaamheden

De toegang tot werkzaamheden

Op deze pagina:

Inleiding

Artikel 49, tweede alinea, EU-Werkingsverdrag bepaalt dat de vrijheid van vestiging een EU-onderdaan toegang moet verlenen tot de werkzaamheden in de lidstaat van ontvangst. Bij de vestiging van EU-onderdanen moet een onderscheid worden gemaakt tussen primaire en secundaire vestiging. In het geval van primaire vestiging vertrekt een EU-onderdaan uit een andere lidstaat om zich permanent te vestigen in een andere lidstaat en aldaar een beroep uit te oefenen. Bij secundaire vestiging behoudt de EU-onderdaan een vestiging in een andere staat en opent tevens een vestiging in een andere lidstaat. Secundaire vestiging veronderstelt dus dat een EU-onderdaan in beide lidstaten zijn beroep blijft uitoefenen. Artikel 49 EU-Werkingsverdrag verzet zich niet tegen het aanhouden van meerdere vestigingen in verschillende lidstaten (C-107/83, Klopp).

Naar boven

Verbod op discriminatie

Gelijke behandeling

De bewoordingen van artikel 49 EU-Werkingsverdrag leggen de verplichting op om eigen onderdanen en onderdanen van andere lidstaten gelijk te behandelen. In dit kader moet een onderdaan van een andere lidstaat onder gelijke voorwaarden als eigen onderdanen huisvesting kunnen vinden van waaruit hij zijn werkzaamheid kan verrichten (C-63/86, Commissie tegen Italië). Het huren van bijvoorbeeld een lokaal vergemakkelijkt de beroepsuitoefening (C-197/84, Steinhauser).

Naar boven

Discriminatie

Artikel 49 EU-Werkingsverdrag staat het de lidstaten toe om de toegang tot de uitoefening van bepaalde beroepen te reguleren (C-107/83, Klopp), tenzij de nationale maatregelen direct of indirect discrimineren op grond van de nationaliteit. Bij directe discriminatie is de nationaliteit het onderscheidingscriterium in de nationale wetgeving. Ten eerste kan het voorkomen dat de uitoefening van een beroep expliciet afhankelijk is gesteld van het hebben van een bepaalde nationaliteit (C-2/74, Reyners). Ten tweede is het mogelijk dat de toegang tot een werkzaamheid voor bepaalde nationaliteiten afhankelijk is gesteld van het vervullen van extra voorwaarden (C-161/07, Commissie tegen Oostenrijk)

In het geval van indirecte discriminatie wordt formeel gezien geen onderscheid gemaakt tussen personen op grond van hun nationaliteit, maar kan het voldoen aan bepaalde verplichtingen voor personen met een andere nationaliteit een zwaardere last met zich meebrengen dan voor eigen onderdanen. Een voorbeeld van een indirect discriminerende maatregel is de verplichting voor een advocaat uit een andere lidstaat om zich in te schrijven bij een balie (C-292/86, Gullung). Dit soort maatregelen kunnen echter vaak worden gerechtvaardigd.

Naar boven

Belemmeringenverbod

In de praktijk toetst het EU-Hof steeds vaker aan het belemmeringenverbod. Het gaat dan om nationale maatregelen die, hoewel zij zonder discriminatie op grond van de nationaliteit worden toegepast, de vrijheid van vestiging kunnen belemmeren of minder aantrekkelijk kunnen maken. Vaak zijn deze belemmeringen het gevolg van overheidsregulering van publieke doeleinden en hebben zij niet tot doel om te discrimineren. Aangezien met dergelijke maatregelen in veel gevallen publieke doeleinden worden nagestreefd kunnen deze beperkingen van de vrijheid van vestiging vaak worden gerechtvaardigd (zie een voorbeeld C-309/99, Wouters).

Naar boven