Contentverzamelaar

Web content search

De Europese Commissie heeft ten onrechte beslist dat de Belgische regeling betreffende de overwinsten van multinationale ondernemingen een verboden steunregeling vormde. De beschikking van de Commissie om de verleende belastingvrijstellingen ongedaan te maken, is volgens het EU-Gerecht daarom nietig.

Het gaat om het arrest van het EU-Gerecht van 14 februari 2019 in de gevoegde zaken T-131/16 en T-263/16 België/Commissie.

Feiten en aanleiding

Sinds 2005 past België een systeem van belastingvrijstellingen toe voor “overwinsten” van Belgische bedrijven die deel uitmaken van multinationale concerns. Deze bedrijven zouden een voorafgaande beslissing (een zogenaamde ’tax ruling’) van de Belgische belastingdienst kunnen krijgen indien zij het bestaan van een “nieuwe situatie” zouden kunnen aantonen, zoals een reorganisatie die leidt tot de verhuizing het moederbedrijf naar België, het scheppen van werkgelegenheid of investeringen. Winsten die als "te veel" worden beschouwd, in die zin dat zij hoger liggen dan de winst die vergelijkbare zelfstandige bedrijven die in vergelijkbare omstandigheden actief zijn, worden dan vrijgesteld van vennootschapsbelasting.

In 2016 heeft de Commissie bij beschikking vastgesteld dat dit stelsel van belastingvrijstellingen van overwinsten een met de interne markt onverenigbare en onrechtmatige staatssteunregeling vormt en heeft de terugvordering gelast van de aldus verleende steun van 55 begunstigden. België en Magnetrol International (een van de begunstigden) hebben beroep ingesteld tegen deze beschikking. Zij stellen onder meer dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op de exclusieve bevoegdheid van België op het gebied van de directe belastingen én dat de Commissie onterecht heeft vastgesteld dat sprake is van een steunregeling.

Uitspraak van het EU-Gerecht

Over de exclusieve bevoegdheid van België stelt het EU-Gerecht dat de directe belastingen in de huidige stand van het EU-recht weliswaar een lidstaatbevoegdheid is, maar dat de lidstaten deze bevoegdheid wel in overeenstemming met het EU-recht moeten uitoefenen. Een maatregel waarbij een lidstaat aan bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling toekent kan dan ook staatssteun in de zin van het EU-recht vormen. De Commissie is bevoegd om toe te zien op de naleving van de staatssteunregels en kan dan ook niet worden beschuldigd van het overtreden van haar bevoegdheid in deze zaak. Het Gerecht verwerpt dit argument van België en Magnetrol International.

Het EU-Gerecht stelt vervolgens wel vast dat de Commissie inderdaad ten onrechte heeft geoordeeld dat het stelsel van belastingvrijstelling van overwinst een steunregeling - in de zin van artikel 1, sub d, van verordening 2015/1589 - is. Het EU-Gerecht komt tot deze conclusie doordat de bepalingen die door de Commissie zijn aangedragen als basis van de vermeende steunregeling niet alle essentiële elementen van die regeling bevatten. De tenuitvoerlegging van deze bepalingen - en daarmee de daadwerkelijke toekenning van de vermeende steun - hing noodzakelijkerwijs af van de vaststelling van verdere uitvoeringsmaatregelen. Verordening 2015/1589 stelt echter uitdrukkelijk dat een steunmaatregel enkel als zodanig kan worden aangemerkt, indien op basis van die maatregel “individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn”. Daarnaast stelt het Gerecht vast dat de belastingdienst over een beoordelingsruimte beschikte met betrekking tot het vrijstellingsstelsel waardoor de hoogte en overige kenmerken van de vrijstelling beïnvloed kon worden, wat ook het bestaan van een steunregeling uitsluit. Ten slotte oordeelt het EU-Gerecht dat niet kan worden geconcludeerd dat de begunstigden van de vermeende steunregeling op “algemene en abstracte wijze zijn omschreven” – zoals ook vereist in Verordening 2015/1589 - of dat de Belgische belastingautoriteiten een systematische benadering hebben gevolgd ten aanzien van alle betrokken 'tax rulings'.

Het EU-Gerecht oordeelt daarom dat de Commissie ten onrechte heeft beslist dat de Belgische regeling met betrekking tot de overwinst een steunregeling vormde en verklaart de beschikking van de Commissie nietig. ​​​​​​​