HvJEG 5 december 2000, zaak C-477/98, Eurostock Meat Marketing Ltd tegen Department of Agriculture for Northern Ireland,

Contentverzamelaar

HvJEG 5 december 2000, zaak C-477/98, Eurostock Meat Marketing Ltd tegen Department of Agriculture for Northern Ireland,

Betrokken departementen
VWS, LNV

Sleutelwoorden
Landbouw - Sanitair beleid - Nationale spoedmaatregelen tegen boviene spongiforme encefalopathie - Gespecificeerd risicomateriaal

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Deze zaak betreft de uitleg van artikel 9 van richtlijn nr. 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PB 1989, L 395, hierna: de richtlijn) , de daarop gebaseerde beschikking nr. 97/534/EG van de Commissie van 30 juni 1997 houdende verbod, in verband met overdraagbare spongiforme encefalopathieën, op het gebruik van risicomateriaal (PB 1997, L 216, hierna: de beschikking), en artikel 30 EG-Verdrag

Artikel 9, lid 1, van de richtlijn luidt, voorzover hier van belang, als volgt: "In afwachting van de overeenkomstig lid 4 te nemen maatregelen, kan de lidstaat van bestemming om ernstige redenen uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van mens en dier, conservatoire maatregelen nemen ten aanzien van de betrokken inrichtingen dan wel, in geval van een epidemische dierziekte, ten aanzien van de in de communautaire voorschriften bedoelde beschermingszone. De door de lidstaten genomen maatregelen worden onverwijld aan de Commissie meegedeeld."

Artikel 9, lid 4, van de richtlijn luidt: "In alle gevallen ziet de Commissie erop toe dat de situatie zo spoedig mogelijk in het Permanent Veterinair Comité wordt besproken. Zij stelt volgens de procedure van artikel 17 de nodige maatregelen vast voor de in artikel 1 bedoelde producten en, als dat gezien de omstandigheden nodig is, voor de producten van oorsprong of de daarvan afgeleide producten. De Commissie volgt het verdere verloop van de situatie en wijzigt op grond daarvan volgens dezelfde procedure de genomen beslissingen of trekt deze in."

In de beschikking is een verbod opgenomen tot het gebruik van gespecificeerd risicomateriaal. De toepassing van de beschikking werd door middel van achtereenvolgende beschikkingen echter steeds uitgesteld. Niettemin was in Noord-Ierland vooruitlopend op deze toepassing ter voorkoming van bse in 1997 wetgeving tot stand gebracht en in werking getreden. Uit de in het arrest weergegeven feiten kan niet precies worden afgeleid of deze wetgeving ook strekt tot uitvoering van de beschikking. De begripsomschrijving van "gespecificeerd risicomateriaal" in de desbetreffende regeling komt weliswaar overeen met de definitie uit de beschikking, maar de regeling bevat, anders dan de beschikking, geen gebruiksverbod maar een invoerverbod.

Krachtens deze nationale wetgeving nam de betrokken Noord-Ierse minister in 1998 een lading runderkoppen, afkomstig uit de Ierse Republiek, van het Noord-Ierse vleesbedrijf Eurostock in beslag en verklaarde deze lading onbruikbaar. In de daarop volgende procedure stelde Eurostock dat de beslissing van de minister in strijd was met artikel 30 EG-Verdrag. De minister stelde daar echter tegenover dat de Noord-Ierse regeling met het oog op artikel 9 van de richtlijn toelaatbaar was.

Het Hof overweegt als volgt. De vaststelling door de Commissie van een beschikking die niet onmiddellijk van toepassing is, kan als zodanig niet worden geacht een lidstaat te beletten zelf conservatoire maatregelen uit hoofde van de richtlijn te treffen. Dit zou anders kunnen zijn als de beschikking al in werking zou zijn getreden, maar dat is hier niet het geval.

Dit zou eveneens anders kunnen zijn indien de toepassing van de beschikking werd uitgesteld op de uitdrukkelijke grond dat vóór die datum geen nationale of communautaire maatregel nodig is. Uit de considerans en de inhoud van de beschikking en de daarop volgende beschikkingen waarbij de toepasselijkheid van de beschikking werd uitgesteld, blijkt hiervan volgens het Hof echter helemaal niets.

Het Hof concludeert vervolgens dat een nationale maatregel als de betwiste Noord-Ierse regeling gerechtvaardigd was uit hoofde van artikel 9, eerste lid, van de richtlijn en, gelet op het ernstige gevaar van overbrenging van bse voor de volksgezondheid, niet onevenredig was.

Dictum: Een lidstaat kan, als conservatoire beschermingsmaatregel in de zin van artikel 9, lid 1, vierde alinea, van richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt, de invoer verbieden van runderkoppen die risicomateriaal in verband met boviene spongiforme encefalopathie bevatten, wanneer de Commissie weliswaar overeenkomstig artikel 9, lid 4, van dezelfde richtlijn een beschikking heeft vastgesteld als beschikking 97/534 van 30 juli 1997 houdende verbod, in verband met overdraagbare spongiforme encefalopathieën, op het gebruik van risicomateriaal, die verwijdering van dergelijk materiaal voorschrijft en gebruik ervan verbiedt, maar de toepassing van de in die beschikking vervatte maatregelen is uitgesteld.

Korte analyse
In dit arrest accepteert het Hof dat, ook al heeft de Commissie ter zake een beschikking vastgesteld, een lidstaat vóór het verstrijken van de toepassingsdatum van de beschikking nationale spoedmaatregelen vaststelt en toepast ter voorkoming van de verspreiding van bse. Het Hof acht het ernstige gevaar voor de volksgezondheid van voldoende gewicht voor de rechtvaardiging van deze nationale maatregelen.

Opmerking verdient dat het Hof de rechtvaardiging voor de Noord-Ierse regeling niet baseert op de bescherming van de volksgezondheid als bedoeld in artikel 30 EG, maar rechtstreeks op artikel 9 van de richtlijn.

Hoewel het hier een ander geval betreft en het Hof hieraan in zijn beoordeling niet expliciet refereert, kan een parallel worden getrokken met het arrest van het Hof in de prejudiciële Hofzaak C-129/96 (Inter-Environnement Wallonie, Jur.. 1997, blz. I-7411). In dat arrest stelde het Hof dat de lidstaten zich gedurende de termijn voor tenuitvoerlegging van een EG-richtlijn dienen te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in het gedrang zouden brengen. Uit het onderhavige arrest zou kunnen worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat daarvan bij de onderhavige categorie van maatregelen, ook als inhoudelijk wordt afgeweken van de beschikking, geen sprake is.

Omdat de beschikking voorafgaand aan haar toepassing ook in Nederland was uitgevoerd in de regelgeving bij en krachtens de Destructiewet was deze zaak voor Nederland van belang. Om deze reden heeft de Nederlandse regering schriftelijke en mondelinge opmerkingen in de zaak ingediend.

Eerste inventarisatie van de mogelijke effecten voor het beleid, wetgeving, rechtspraak of rechtspraktijk op nationaal of Europees niveau
Het arrest heeft geen gevolgen voor de Nederlandse regelgeving, omdat de in Nederland op basis van de richtlijn tot stand gekomen regelgeving in overeenstemming kan worden geacht met deze richtlijn. Het betreft hier onder meer artikel 4 van de Destructiewet en de op artikel 2, zevende lid, van deze wet gebaseerde Regeling aanwijzing gespecificeerd hoog-risico-materiaal 2000. In deze regeling is, anders dan in de Ierse regeling, de terminologie van de beschikking gehanteerd.

Voorstel voor behandeling
De ICER zendt dit fiche en het arrest ter kennisneming aan de Ministers van VWS en van LNV. Het fiche wordt tevens toegestuurd aan de werkgroep 101-Praktijkvragen over de implementatie van EG-besluiten.