A-G: Deense wetgeving inzake volkshuisvesting in transformatiewijken vormt directe discriminatie op grond van een etnisch criterium
Nieuwsbericht | 24-02-2025
Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal (hierna: A-G) Ćapeta van 13 februari 2025 in zaak C-417/23 (Slagelse Almennyttige Boligselskab, Afdeling Schackenborgvænge).
Achtergrond
De Deense volkshuisvestingswetgeving maakt een onderscheid tussen verschillende soorten buurten met een ongunstige sociaal-economische situatie wat werkloosheid, criminaliteit, opleiding en inkomen betreft. Gebieden waar, naast een ongunstige sociaal-economische situatie, het aandeel immigranten uit niet-westerse landen en hun nakomelingen de afgelopen vijf jaar meer dan 50 procent bedroeg, worden vervolgens gecategoriseerd als 'transformatiewijken' (vroeger bekend als 'harde getto's'). De Deense wet verplicht de woningcorporaties die eigenaar zijn van dergelijke gebieden om een ontwikkelingsplan op te stellen waarin wordt uiteengezet hoe het aandeel volkshuisvestingseenheden in de transformatiegebieden moet worden teruggebracht tot 40 procent op 1 januari 2030. Dit kan de verkoop van woningen aan particuliere ontwikkelaars, sloop of omzetting van gezinswoningen in woningen voor jongeren omvatten. In dergelijke gevallen moeten de huurcontracten van de vorige huurders worden opgezegd.
Huurders die zich in een dergelijke situatie bevonden in twee transformatiegebieden - het landgoed Schackenborgvænge in Slagelse en het landgoed Mjølnerparken in Kopenhagen - vechten de rechtmatigheid aan van ontwikkelingsplannen die zijn aangenomen op basis van de Deense wetgeving inzake volkshuisvesting.
De regionale rechtbank voor Oost-Denemarken betwijfelt of de Deense wetgeving verenigbaar is met de richtlijn inzake ras of etnische afstamming ( richtlijn 2000/43 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming) en stelt het EU-Hof hierover een tweetal prejudiciële vragen.
Advies
In de conclusie van 13 februari 2025 stelt advocaat-generaal Ćapeta vast dat het onderscheid tussen “westerse” en “niet-westerse” immigranten en hun nakomelingen is gebaseerd op etnische afkomst. De A-G is van mening dat, hoewel “niet-westerse allochtonen” een etnisch diverse groep vormen, wat deze groep verenigt niet een overeenkomst van factoren is die “etniciteit” binnen die groep vormen, maar veeleer de perceptie van de Deense wetgever dat deze groep niet de kenmerken van de andere groep, de “westerse allochtonen”, bezit.
De A-G herinnert er vervolgens aan dat er sprake is van directe discriminatie wanneer een ongunstige behandeling rechtstreeks gebaseerd is op etnische afkomst. Ook al zijn de huurders van wie de huurovereenkomst is opgezegd niet geselecteerd op grond van hun niet-westerse afkomst, dan worden zij dus toch rechtstreeks gediscrimineerd op grond van het etnische criterium.
De eerste reden om te oordelen dat er sprake is van directe discriminatie, is volgens de A-G dat de regeling deze huurders in een precaire positie brengt wat de zekerheid van hun recht op een woning betreft, waardoor zij minder gunstig worden behandeld dan huurders van andere wijken in een vergelijkbare situatie, waar de meerderheid van de bevolking van “westerse” afkomst is.
Ten tweede stigmatiseert het etnische criterium dat in de Deense wetgeving wordt gehanteerd volgens de A-G de etnische groep waarvan werd erkend dat zij structureel in een nadelige positie verkeren wat betreft hun vermogen om in de Deense samenleving te integreren, waardoor hun kansen om in die samenleving te integreren eerder worden beperkt dan vergroot.
Opmerking : een conclusie van een A-G is een advies aan het EU-Hof. Het EU-Hof is volledig vrij daarvan af te wijken. Het is nog niet bekend wanneer de uiteindelijke uitspraak van het EU-Hof zal verschijnen. Dit kan nog enkele maanden duren. De uitspraak van het EU-Hof zal wel bindend zijn.
Meer informatie:
Persbericht Curia (EN) ECER-dossier : Non-discriminatie – Discriminatiegronden – Ras en etnische afstamming