C-001/05, Jia tegen Migrationsverket, arrest van 9 januari 2007

Contentverzamelaar

C-001/05, Jia tegen Migrationsverket, arrest van 9 januari 2007

Signaleringsfiche
Arrest van het Hof van Justitie van 9 januari 2007 in zaak C-1/05, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing in de procedure van Jia tegen Migrationsverket

Betrokken departementen
JUS, BZ, SZW, OCW

Sleutelwoorden
Richtlijn 73/148/EEG inzake de opheffing van de beperking van de verplaatsing en het verblijf van onderdanen van de lidstaten binnen de gemeenschap ter zake van vestiging en verrichten van diensten – verblijf van familieleden bij een EU-burger en hun echtgenoot – ten laste komen van een EU-burger – Verordening 1612/68 over het vrije verkeer van werknemers.

Beleidsrelevantie
Het arrest geeft aan dat lidstaten in het algemeen niet mogen verlangen dat familieleden van een EU-burger (die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer) die de nationaliteit van een derde land hebben eerst in een andere lidstaat moeten zijn toegelaten om zich te kunnen beroepen op het communautaire toelatingsregime. Uitzondering is mogelijk voor gevallen van illegaal verblijf of onrechtmatige onttrekking aan het nationale vreemdelingenrecht, hoewel de reikwijdte onduidelijk blijft. In het arrest wordt voorts bepaald dat het familielid het bewijs van financiële afhankelijkheid van de EU-burger met alle middelen mag aantonen.

Samenvatting van feiten, redenering en dictum
Jia is afkomstig uit China en wil zich vestigen bij haar zoon en diens Duitse echtgenote, die werkzaam is als zelfstandige in Zweden. Zij komt binnen op een toeristenvisum en vraagt bij de Migrationsverket een verblijfskaart aan op basis van haar familieband met een onderdaan uit een lidstaat. In de prejudiciële procedure wordt in het licht van het arrest Akrich
(C-109/01) gevraagd of voor een persoon met de nationaliteit van een derde land, die familie is van een werknemer in de zin van bovengenoemde verordening of van een EU-burger in de zin van bovengenoemde richtlijn, als voorwaarde geldt dat die persoon legaal verblijft in de Gemeenschap om het recht te hebben permanent bij de werknemer/EU-burger te verblijven.

Het Hof benadrukt de verschillen in de casusposities van Akrich en Jia. Akrich voldeed niet aan de voorschriften van het nationale recht voor binnenkomst en verblijf. Jia was echter in het bezit van een kort verblijf visum. Dit is naar nationaal Zweedse recht voldoende om een verblijfsvergunning te kunnen aanvragen. Uit het oordeel van het Hof volgt dat niet, zoals uit het arrest Akrich zou kunnen worden afgeleid, als algemene regel kan worden gehanteerd dat onderdanen van derde landen die zich als familielid willen voegen bij een EU-burger die in een andere lidstaat zijn recht op vrij verkeer uitoefent, reeds eerder tot een lidstaat moeten zijn toegelaten om verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht te kunnen ontlenen. Wel lijkt het Hof te bevestigen dat dit anders is indien het familielid in kwestie wordt verweten dat het illegaal in een lidstaat verblijft, of dat het zich onrechtmatig tracht te onttrekken aan de greep van de nationale immigratiewetgeving. Verder bepaalt het Hof dat om vast te stellen of het familielid afhankelijk is van de EU-burger, de lidstaat van ontvangst moet beoordelen of het familielid gezien zijn economische en sociale toestand op het moment van verzoek om hereniging in staat is in zijn basisbehoeften te voorzien. De noodzaak van materiële steun moet in de lidstaat van oorsprong of van herkomst bestaan op het moment van verzoek tot hereniging. De aanvrager mag zijn afhankelijkheid met ieder geschikt middel aantonen. De enkele toezegging van de EU-burger dat hij in het levensonderhoud van het familielid zal voorzien is niet voldoende.

Eerste inventarisatie van mogelijke effecten
Het beleid ten aanzien van onderdanen van derde landen, die zich als familielid willen voegen bij een in Nederland gevestigde EU-burger en niet reeds eerder tot een lidstaat zijn toegelaten, is sedert jaar en dag gebaseerd op de criteria die zijn opgenomen in verordening 1612/68 en richtlijn 73/148 (thans richtlijn 2004/38/EG) en wordt niet gewijzigd. Wel zal in individuele zaken worden gezocht naar de reikwijdte van de uitzondering die het Hof lijkt toe te staan in geval van illegaal verblijf of onrechtmatige onttrekking aan het Nederlandse vreemdelingenrecht.

Voorstel voor behandeling
De ICER verzendt het arrest en het fiche ter kennisneming aan de ministers van Justitie, van Sociale zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur, en Wetenschap, Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris voor Europese Zaken.